Tel: +31 (0)10 52 25 011 NL |   Fax: +31 (0)84 21 51 696 NL  skype afrika-online
English Nederlands
Home | Over Ons | Contact | Extra
Slideshow

Kenia safaris en rondreizen

Geografie

Algemeen
Kenia of Kenya (officieel: Jamhuri ya Kenya; Engels: Republic of Kenya), is een presidentiële republiek in Oost-Afrika en lid van het Gemenebest van Naties. Kenia behoort samen met Djibouti, Eritrea, Ethiopië, Soedan en Somalië tot de 'Hoorn van Afrika'. Kenia ligt op de evenaar, heeft een oppervlakte van 582.646 km2 en is daarmee 14x zo groot als Nederland. Binnenwateren als rivieren en meren nemen 11.230 km2 in beslag. Kenia grenst in het noorden aan Ethiopië (830 km) en Sudan (232 km), in het oosten aan Somalië (682 km) en de Indische Oceaan, in het westen aan Uganda (933 km) en het Victoriameer en in het zuiden aan Tanzania (769 km).
 
Voor de hier en daar ingesneden kust liggen een serie koraalriffen en een aantal eilandjes, o.a. de Lama-archipel en Mandu. Van de tot 200 km brede en tot 150 m hoge kuststrook loopt het land langzaam op naar een parallel hieraan gelegen, 150 tot 300 meter hoog plateaugebied. In het noorden en noordwesten gaat dit over in een gebied met hoogvlakten van 300 tot 1500 meter, behorend tot het Oost-Afrikaanse plateau, die in het zuidwesten overgaan in de Kenya Highlands, 1500 tot 3000 m hoog.
 
De Highlands worden in noord-zuidelijke richting doorsneden door de Oost- Afrikaanse Slenk, wat een zijtak is van de van noord naar zuid lopende Grote Afrikaanse Slenk of Great Rift Valley, die 600 tot 900 m lager ligt dan het omringende gebied en door hoge vulkanen wordt geflankeerd. De slenk is 48 tot 64 kilometer breed. Nabij het Naivasha-meer ligt de slenk ca. 2000 meter boven zeeniveau.
 
Hier vinden we ook de op een na hoogste berg van Afrika, de Mount Kenya (5199 meter). Dit gebied is het vruchtbaarste van het land en de lager gelegen delen van de bergen worden intensief gebruikt voor de landbouw. In deze slenk liggen een aantal meren, waaronder het grotendeels op grondgebied van Kenia liggende Rudolfmeer, het Nakuru-meer, het Naivasha-meer en het Magadi- meer. Het Victoriameer, waarvan alleen het oostelijke uiteinde op grondgebied van Kenia ligt, ligt tussen de twee slenken in. In de buurt van het Victoriameer ligt ook de op een na hoogste berg van Kenia, de Mount Elgon (4321 meter). De Grote Afrikaanse Slenk loopt van het Midden-Oosten tot aan Malawi en is meer dan 5000 kilometer lang.
 
Het westen van Kenia bestaat uit een golvend heuvellandschap dat zich uitstrekt van de Sudanese grens in het noorden tot aan Tanzania in het zuiden. In het zuiden gaat het vruchtbare landschap over in een uitgestrekt savannelandschap. Hier liggen de grootste en populairste wildreservaten. Ten zuiden van het Amboseli-reservaat rijst de Kilimanjaro (5895 meter) op, de hoogste berg van Afrika, die echter geheel in Tanzania ligt. Noord- en Oost Kenia bestaan uit een bergachtig landschap met veel struikgewas dat overgaat in een woestijnlandschap waar maar zelden regen valt. Hier vinden we het meest woeste en ongerepte landschap van Kenia.
Gedeeltelijk bevaarbare rivieren zijn de Sabaki en de Tana.
 
Klimaat
 
Temperatuur, neerslag en luchtvochtigheid zijn in Kenia aan grote verschillen onderhevig. Er zijn vier zones te onderscheiden met min of meer hetzelfde klimaat.
 
Het golvende plateau in West-Kenia is over het algemeen zeer warm en met een behoorlijke luchtvochtigheidsgraad. Regen valt er het hele jaar door. In april valt de meeste regen, maximaal 200 mm; in januari valt de minste regen, ca. 40 mm. De minimumtemperaturen liggen tussen de 14 en 18°C en de maximumtemperaturen tussen de 30 en 34°C. Meer naar het westen, bij het Victoria-meer, heerst een tropisch klimaat met gemiddelde temperaturen van 18 tot 30 °C; hier vallen zware tropische regens.
 
De centrale hooglanden en de Rift Valley hebben de meest aangename temperaturen, alhoewel ook hier grote verschillen zijn waar te nemen. In de laagste delen van de Rift Valley is het vrij dor en op de Mount Kenya ligt eeuwige sneeuw. Regenval varieert van 20 mm in juli tot 200 mm in april en valt voornamelijk in de periodes maart tot mei (lange regens) en oktober tot december (korte regens). In de Aberdare-bergen en op Mount Kenya valt de meeste neerslag tot vaak meer dan 3000 mm per jaar. De temperaturen variëren van minimaal 10 à 14°C tot maximaal 22 à 26°C.
 
De uitgestrekte semi-droge bushlands en de woestijnachtige gebieden in het noorden en noordoosten worden gekenmerkt door grote temperatuursverschillen. Overdag is het rond 40°C terwijl de temperatuur 's nachts terugvalt naar waarden tussen de 15 en 20°C. Het regent niet vaak en als het regent gebeurd dit vaak in stortbuien. Juli is hier de droogste maand en november de natste. De gemiddelde neerslag ligt tussen 250 en 500 mm per jaar.
 
De kuststreek is het hele jaar door heet en vochtig, hoewel de temperatuur wordt getemperd door de zeewind. De regenval varieert van 20 mm in februari tot 300 mm in mei. Jaarlijks valt er tussen de 1000 en 1250 mm. De gemiddelde temperaturen zijn het gehele jaar ongeveer gelijk, tussen 22 en 30°C.
 
Planten en dieren
 
De plantengroei bestaat langs de kust en rond de riviermondingen uit kokospalmen, mangrovebossen en tropische wouden. Het is een vruchtbare streek waar mango's, citroenen, sinaasappels en vele tropische bloemen groeien. Achter de kustlijn verandert het groen in een savannelandschap met doornstruiken, schermacacia's en baobabs of apenbroodbomen. Deze begroeiing komt voor in het oostelijke en noordelijke deel van Kenia. Op het plateau vindt men hooglandwouden die, afhankelijk van hoogte en klimaat, variëren van het zeer zware hout van de wilde olijf tot het zeer lichte hout van Gyrocarpus jacquinii; veel bergbossen hebben ook een bamboegordel. Prachtige wouden vindt men op de vulkaanhellingen (tot 3300 m); aan de voet hiervan groeien veel schermacacia's.
 
Van de dierenwereld is vooral die van de steppen en halfwoestijnen bekend.
 
Een selectie:
 
Giraffen komen voor op de savannes en in open bosgebieden met acacia's. De grote Maasai-giraffe komt het meest voor; de kleinere netgiraffe leeft in het noorden
Hyena's komen in het hele land voor. De gestreepte en de gevlekte hyena eten voornamelijk aas maar ook kleine zoogdieren.
Dikdiks leven in struikgewas en is de kleinste antilopensoort, maximaal 40 cm groot.
Bavianen zijn te vinden bij rivieren en lavavelden en leven in grote families bij elkaar.
Impala's zijn antilopen die op de savannes voorkomen.
Gnoes leven in kudden op de savannes.
Elandantilopen met grote spiraalvormige hoorns leven eveneens op de savannes.
Wrattenzwijnen leven in de buurt van water in kleine families.
Zebra's leven op steppen en graslanden In Kenia komen de gewone zebra en de Grévy's zebra voor.
Neushoorns zijn zeer bedreigde dieren. In Kenia komen de zwarte of puntlipneushoorn en de witte of breedlipneushoorn voor.
Buffels zijn kuddedieren en komen voor in bossen en in de savannen.
Nijlpaarden zijn te vinden in alle rivieren en meren
Krokodillen komen voor in bijna alle rivieren van Kenia.
Leeuwen leven op de savannen en in open wouden. Het is de enige katachtige die in groepjes leeft.
Luipaarden zijn nachtdieren en komen vooral voor in bossen, struikgewas en grotten.
Olifanten zijn kuddedieren die vooral in de bossen en op de savannen leven. Het zijn de grootste landzoogdieren.
Oryxen of spiesbokken leven in droge gebieden met struikgewas.
In Kenia komen de franjeoor en de beisa voor.
Struisvogels zijn loopvogels die op de savannen en de graslanden voorkomen.
Waterbokken leven in de buurt van water in open bosgebieden en rotsachtig heuvelland.
Koedoes zijn antilopen die onderscheiden worden in kleine en grote koedoes. Ze leven in struikgewas en dichte bossen.
Cheeta's of jachtluipaarden leven op de open savannen en de steppen. Het is het snelste zoogdier ter wereld en kan 80 kilometer per uur bereiken.
Gerenoeks of giraffegazellen leven in droge gebieden met struikgewas.
 
Verder is er een rijke vogelwereld met meer dan duizend soorten vogels o.a. roofvogels, wevervogels en honingzuigers. Flamingo's leven in grote groepen bij de meren van de Rift Valley. Sinds juli 1999 zijn er in het Bogoria-meer tienduizenden flamingo's gestorven. Er werden verschillende zware metalen in het lichaam van de vogels aangetroffen. Verder ooievaars, gieren, pelikanen, reigers, ibissen, neushoornvogels en aalscholvers.
 
Giftige slangen zoals de cobra, de mamba en de pofadder leven in de graslanden en langs rivieren. Ook de python, een wurgslang, leeft daar. Verder zijn reuzenslakken zeer opvallend.
 
Al in de koloniale tijd is een begin gemaakt met de natuurbescherming en dankzij het toerisme werd deze na de onafhankelijkheid voortgezet. Kenia kent vele, vaak wereldberoemde nationale parken en natuurreservaten die sinds de jaren veertig van de 20e eeuw ontstonden. Door stroperij en kaalslag van bossen wordt desondanks een aantal diersoorten zeer ernstig bedreigd: de olifant, de puntlipneushoorn en in mindere mate ook de Grevy-zebra, het Hunter's hartenbeest en de jachtluipaard.
 
Ter bescherming van de prachtige onderwaterwereld van Kenia werden er verschillende zeereservaten opgericht. Deze reservaten worden op een natuurlijke manier beschermd door een groot rif dat langs de hele kust van Kenia loopt. Enkele van deze reservaten zijn het Malindi-Watamu Marine Reserve en het Kiunga National Marine Reserve. In dit laatste reservaat worden vooral schildpadden beschermd alsmede enkele zeer zeldzame koraalsoorten.
 
Vissoorten die zeer de moeite waard zijn: keizersvis, vlindervis, papegaaivis en de giftige schorpioenvis en steenvis. Op zee vist men naar bonito's, zwarte en blauwe marlijnen, zeilvissen, tijgerhaaien, hamerhaaien, geelvintonijnen en waaiervissen. In het binnenland kan er gevist worden op forellen, forelbaarzen, tilapia's, nijlbaarzen en tijgervissen.
 
Andere schepsels zijn de doornkroon, een soort zeester, de heremietkreeft en een aantal zeeschildpadden.
 
Geschiedenis
 
Nomaden, landbouwers en kolonisten
Volgens paleontologen als de befaamde Richard Leakey is de Rift Valley, die ook door Kenia loopt, de "wieg der mensheid". In ieder geval is een van de gevonden schedels in het gebied rond het Turkana-meer ca. 2,5 miljoen jaar oud, en afkomstig van de zogenaamde "homo habilis". Ca. 4000 jaar geleden werd Kenia bevolkt door de Khoisan die verwant waren aan zuidelijk Afrikaanse volken. Daarna is Kenia een migratieland bij uitstek geworden o.a. door de vruchtbare grond in dit deel van Afrika. Zo worden in Kenia praktisch alle belangrijke talen van Afrika gesproken.
 
De eerste groep migranten was het nomadische Kushieten-volk uit Ethiopië rond 2000 v.Chr. Het waren herders en dus afhankelijk van grasland voor hun runderen en geiten. Na klimaatveranderingen die een negatieve invloed op het landschap hadden trok dit volk zuidwaarts richting Tanzania. Een tweede groep, Oost- Kushieten, volgde deze groep op rond 1000 v.Chr. en vestigde zich in Centraal- Kenia. De rest van de vele stammen en volkeren arriveerden tussen 500 v.Chr. en 500 n.Chr.: Bantu-sprekende volkeren als de Gusii, de Kikuyu, de Akamba en de Meru uit West-Afrika en Nilotisch-sprekende volkeren als de Maasai, de Luo, de Samburu en de Turkana vanuit de Nijl-vallei in Zuid-Sudan.
 
Portugese overheersing
Vanaf de 8e eeuw werd de kuststreek van Kenia bezocht door moslims van het Arabisch schiereiland. Ze hadden niet de intentie om het gebied te veroveren maar dreven er voornamelijk handel. Velen vestigden zich definitief en vermengden zich met de Afrikaanse bevolking.
 
Zo ontstond er een serie kuststeden langs de Oost-Afrikaanse kust van Somalië tot Mozambique, veelal gebruikt als goederenopslagplaatsen waar de schepen voor de Indische handelsroutes bevoorraad werden. Hoewel er wel onvermijdelijk rivaliteit bestond tussen deze steden, was het tot de 16e eeuw een redelijk vreedzaam gebied. Dit alles werd wreed verstoord door de komst van de Portugese ontdekkingsreizigers en handelaars. Terwijl de Spanjaarden richting Amerika trokken, probeerden de Portugezen hun greep op de specerijroutes naar het Verre Oosten te verstevigen.
 
In 1498 rondde een Portugese expeditie onder leiding van Vasco da Gama Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika en zeilden door naar de oostkust van Afrika. Ze werden daar zeer vijandig ontvangen, maar vonden tot hun geluk een sultan in Malindi die hen de routes naar India wees. In 1502 kwam Vasco da Gama weer langs met een volgende expeditie.
 
Vanaf 1505 begonnen de woeste aanvallen van de Portugezen door de armada van Dom Francisco de Almeida. Sofala werd geplunderd en tot de grond toe afgebrand, Kilwa werd bezet en Mombasa werd ingenomen na bombardementen vanaf de schepen en straatgevechten. Mombasa werd in 1528 nogmaals geplunderd door Nuña da Cunha. Ondanks pogingen van de Ottomaanse Turken in 1585 en 1589 om de controle over het gebied terug te krijgen, was de Arabische monopoliepositie op de Indische handelsroutes definitief ten einde. Na deze gewelddadige tijd braken er voor Kenia twee eeuwen van streng koloniaal bewind aan. Er werden cijnzen geheven en alle niet-Portugese schepen moesten veel geld betalen om in de havens te kunnen aanleggen. Kleine overtredingen werden zwaar beboet.
 
Deze economische exploitatie ging hand in hand met de bekering van de bevolking tot het katholicisme, althans een poging daartoe, want dit lukte niet echt. In 1593 werd Fort Jesus gebouwd en daardoor werd Mombasa de belangrijkste Portugese voorpost. Toch konden de Portugezen deze en andere voorposten niet onder controle houden o.a. doordat ze bevoorraad moesten worden vanuit Goa in West-India. Om verschillende redenen lukte dit niet altijd (stormen, zeerovers). Bovendien bleek al snel dat Portugal een te klein land was om zo'n enorm wereldrijk te besturen. Het einde van de Portugese overheersing in Oost- Afrika naderde snel toen de Arabieren in 1698 Fort Jesus innamen. Rond 1720 zouden de Portugezen de oostkust van Kenia voorgoed verlaten.
 
Arabische overheersing
De Arabieren bleven de controle over de Oost-Afrikaanse kust houden totdat de Britten en de Duitsers eind 19e eeuw arriveerden. De verwoestingen uit de Portugese periode hadden echter een hoge tol geëist en het constante geruzie tussen de Arabische gouverneurs zorgde voor een afnemende handel en voorspoed. Gedurende de 18e eeuw vestigden zich verschillende dynastieën uit Oman langs de oostkust van Afrika. Hoewel ze in principe onder controle stonden van de sultan van Oman, kwam daar in de praktijk niet veel van terecht en het duurde tot het regime van Seyyid Said in 1805 voordat men greep kreeg op de zaak.
 
De Omanieten hadden een vrij sterke vloot opgebouwd en hiermee kreeg Seyyid Said de Oost-Afrikaanse dynastieën in het gareel. In 1822 stuurde hij een leger om de belangrijke steden Mombasa, Paté en Pemba aan zich te onderwerpen, die op dat moment bestuurd werden door de Mazrui-clan. De Mazrui riepen de Britten te hulp, die meteen twee oorlogsschepen stuurden. De Britten namen zonder problemen Fort Jesus in, hesen de Britse vlag en riepen het fort uit tot een Brits protectoraat. Drie jaar later stootte de Britse regering het protectoraat weer af en een jaar later werd het fort weer door Seyyid Said bezet. Van daaruit werden er kruidnagelplantages gesticht op het eiland Zanzibar voor de Tanzaniaanse kust, en in 1832 verplaatste hij zelfs de hoofdstad naar Zanzibar.
 
Britse kolonisatie
Halverwege de 19e eeuw kregen de verschillende Europese naties, waaronder de Britten en de Duitsers, steeds meer belangstelling voor de Oost-Afrikaanse kust. De Britten waren geïnteresseerd i.v.m. de afschaffing van de slavernij en stichtten al snel een consulaat op Zanzibar. Later kwamen de beide landen overeen (Verdrag van Helgoland) dat Groot-Brittanië zeggenschap zou krijgen over Kenia, Zanzibar en Uganda. Duitsland kreeg in ruil hiervoor het tot dan toe Britse Helgoland bij Denemarken en het huidige Tanzania. De grenzen die toen vastgelegd werden bestaan voor een groot gedeelte nog steeds. Een onderdeel van de overeenkomst was dat de sultan van Zanzibar een 16 kilometer brede kuststrook onder Brits protectoraat mocht behouden. Deze overeenkomst bleef geldig tot de onafhankelijkheid van Kenia, toen de laatste sultan van Zanzibar, Seyyid Khalifa, het stuk land teruggaf aan de Keniaanse regering.
 
Het binnenland van Kenia, met name de Rift Valley en het Aberdare berggebied, bleef onberoerd door de Europeanen tot in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. De krijgshaftige reputatie van de Maasai was voldoende om de Europese missionarissen en Arabische slavenhalers weg te houden uit hun woongebied. Maar lang kon het niet duren, omdat rond die tijd geheel Afrika al bijna doorkruist was door ontdekkingsreizigers, biologen, archeologen, antropologen en avonturiers. Enkele bekende namen uit die tijd waren de Duitser Gustav Fischer, de Schot Joseph Thomson, de Oostenrijker Graaf Teleki von Szek en de anglicaanse bisschop James Hannington. Tegen het einde van de 19e eeuw was de kracht van de Maasai-stam echter verzwakt door een oorlog tussen twee stammen en door ziektes die zowel mens als dier troffen.
 
De Britten konden nu gemakkelijker onderhandelen met Olonana, de "laibon" (soort spiritueel leider). Gewapend met deze overeenkomst startten de Britten meteen met de aanleg van de spoorlijn Mombasa-Uganda, dwars door het hart van Maasai-land. Halverwege de spoorlijn ligt nu de hoofdstad Nairobi waar ook al snel het koloniale bestuur naartoe verhuisde vanuit Mombasa. Blanke kolonisten gingen ten noorden van Nairobi op zoek naar vruchtbare landbouwgrond. Botsingen tussen kolonisten en Maasai waren onvermijdelijk en in overleg met Olonana kregen de Maasai twee stukken land toegewezen, ten noorden en zuiden van de spoorweg.
 
De Britse kolonisten lieten hun oog echter al snel vallen op het land ten noorden van de spoorlijn en de Maasai werden onder protest van Olonana in 1910- 1911 gedwongen om naar het zuidelijke deel te trekken. Vaak restte hen ook niets anders dan in dienst te treden bij de blanke boeren. Ook de Kikuyu-stam had veel te lijden onder het verlies van land aan de Britse kolonisten. Verzet was bijna onmogelijk gezien de militaire superioriteit van de Europeanen. Andere grote stammen als de Luo en de Luyha en stammen in het noordoosten werden nauwelijks lastig gevallen. De blanke kolonisten werden aangevoerd door de politieke leider Lord Delamere, die echter nauwelijks iets wist van het land, van de ziektes en het dierenleven. Het op zeer uitgebreide schaal houden van schapen en verbouwen van graan was dan ook desastreus voor het landschap. Ondertussen verplaatste Groot-Brittannië het bestuur weer van Zanzibar naar Mombasa, en van daaruit in 1907 naar Nairobi. Vanaf 1912 hield men er een wat realistischer, gevarieerder landbouwbeleid op na, met o.a. koffieplantages.
 
Gedurende de Eerste Wereldoorlog werd tweederde van de 3.000 kolonisten onder de wapenen geroepen en als cavaleristen ingezet tegen de Duitsers in Tanganyika. Ze slaagden er zelfs in om de Duitsers naar Centraal-Afrika te verjagen. Na de oorlog werd de kolonisatie weer hervat en in 1920 was het aantal kolonisten opgelopen tot 9.000; in 1950 tot 80.000. Oorlogsveteranen uit Europa werd bijvoorbeeld land aangeboden tegen afbraakprijzen. In 1920 werd Kenia officieel een Britse kroonkolonie. Alleen de kuststrook bleef in bezit van de sultan van Zanzibar.
 
Ondertussen migreerden er steeds meer Kikuyu's naar Nairobi of werden op de een of andere manier in de koloniale economie betrokken. Ook groeide het ongenoegen over het zomaar afpakken van hun land en er ontstonden een aantal organisaties die als doel hadden het onteigende land weer terug te geven aan de Kikuyu's. Een van de eerste leiders, Harry Thuku, werd in 1922 gearresteerd vanwege zijn politieke activiteiten voor de verboden East African Association. Daarop trok er een groep Afrikanen naar het politiebureau van Nairobi waar Thuku gevangen zat. Niemand wist na afloop wat er precies gebeurd was, maar toen de kruitdampen optrokken waren er tenminste 21 Kikuyu's gedood. Andere rapporten spraken over honderd doden. Thuku werd pas in 1930 vrijgelaten nadat hij beloofd had samen te werken met de Britse autoriteiten. Door de Kikuyu's werd hij vanaf toen als collaborateur beschouwd.
 
Jomo Kenyatta
Een andere ster aan het Kikuyu-firmament was Johnstone Kamau, later beter bekend onder de naam Jomo Kenyatta. Op zijn 29e verhuisde hij naar Nairobi en al snel werd hij secretaris propaganda van de East Africa Association, iets wat hem goed af ging vanwege zijn geweldige redenaarstalenten. Deze organisatie was in het leven geroepen om landhervormingen te bewerkstelligen, lonen te verhogen en onderwijs en medische faciliteiten voor de Afrikaanse bevolking te verbeteren. De Afrikaanse bevolking had op dat moment de laagst betaalde baantjes en mocht bijvoorbeeld niet in bepaalde hotels en restaurants komen. Officieel was al in 1923 bepaald dat de belangen van de Afrikanen altijd maar in de praktijk werkte dat natuurlijk niet zo.
 
Kenyatta signaleerde dit en sloot zich aan bij de wat fanatiekere Kikuyu Central Association en werd daarvan secretaris-generaal. Van 1929 tot 1946 reisde Kenyatta de hele wereld rond en deed overal ideeën op die zijn land later goed van pas zouden komen. Toen hij in 1946 definitief terugkwam naar Kenia, werd hij de onbetwiste leider van de Keniaanse onafhankelijkheidsbeweging. Tijdens de Tweede Wereldoorlog rekruteerden alle koloniale machten Afrikaanse troepen om te vechten in Europa. Onbedoeld neveneffect naar aanleiding van hun ervaringen in het leger was dat ze zagen dat de Europeanen niet almachtig waren, dat ze verslagen konden worden. Bovendien waren ze nu getraind in het gebruiken van moderne wapens. Toen de Afrikaanse soldaten dan ook terugkwamen gebruikten ze deze kennis om actief deel te nemen aan allerlei campagnes die op veranderingen gericht waren.
 
De belangrijkste politieke organisatie op dat moment was de Kenya African Union (KAU), eerst geleid door Harry Thuku, daarna door James Gichuru, die weer aftrad ten faveure van Jomo Kenyatta na diens terugkeer uit Groot-Brittannië. Naar de wensen van de KAU werd echter nauwelijks geluisterd en als gevolg hiervan ontstonden er binnen veel stammen geheime genootschappen. Het bekendste genootschap zou de in 1952 opgerichte Mau Mau-beweging worden, die geheel bestond uit Kikuyu's en als doel had om de kolonisten uit Kenia te verdrijven. In 1953 startte de Mau Mau de rebellie met het doden van een kudde dieren van een blanke boer. Enkele weken later werden 21 Brits-gezinde Kikuyu's vermoord. De regering riep de noodtoestand uit en begon met het opsluiten van Kikuyu's in zogenaamde "protected villages" die omringd waren door prikkeldraad en greppels met boobytraps. Verder werden er ca. 20.000 Kikuyu's gerekruteerd om de Britten te helpen de opstand te onderdrukken. De rebellie eindigde in 1956 met aan de kant van de Afrikanen meer dan 13.500 doden, en maar iets meer dan 100 slachtoffers aan de kant van de Europeanen. Nog eens 20.000 Kikuyu's werden gevangen genomen waarna er nog vele onder erbarmelijke toestanden stierven. Kenyatta werd al in 1953 gearresteerd als vermeende leider van de Mau Mau- beweging, iets dat hij waarschijnlijk nooit is geweest. In 1956 werd er voor het eerst met de Afrikanen gepraat om het politieke conflict op te lossen. In 1957 mochten acht extra Afrikanen hun volken vertegenwoordigen in het parlement. Onder hen de jonge activist Daniël arap Moi, die later nog president van Kenia zou worden.
 
Kenyatta werd in 1959 vrijgelaten maar meteen onder huisarrest geplaatst. De rebellie schokte de kolonisten en zorgde voor de oprichting van verschillende blanke politieke partijen en ook tot het vertrek van veel kolonisten naar Rhodesië (nu: Zimbabwe), Zuid-Afrika en Australië. Een aantal partijen wilden een splitsing van het land in een blank en zwart Kenia. Andere partijen wilden democratische verkiezingen, en dat zou tijdens de Lancaster House Conference van 1960 als de te volgen koers aangenomen worden. De datum voor de onafhankelijkheid werd vastgesteld op een dag in december 1963 en de Keniaanse regering kreeg zelfs 100 miljoen dollar om blanke boeren uit te kopen. Ondertussen was de KAU gesplitst in een beweging die een centraal geleide regering in Nairobi voorstond (KANU= Kenya African NationalUnion) en een beweging die koos voor een federale staat om Kikuyu-overmacht te voorkomen (KADU= Kenya African Democratic Union). De meeste blanken steunden uiteraard de KADU. In 1961 werd Kenyatta vrijgelaten en als voorzitter van de KANU gekozen. Hij probeerde de kolonisten gerust te stellen, ze zouden niets te vrezen hebben in een onafhankelijk Kenia dat hun ervaring hard nodig zou hebben. Hij wilde de wereld laten zien dat twee totaal verschillende culturen vreedzaam naast elkaar konden leven. En zo veranderde Kenyatta in de ogen van de kolonisten van een gevreesde Mau Mau-leider in een gerespecteerd staatsman.
 
De twee partijen vormden een coalitieregering in 1962, maar na de eerste algemene verkiezingen van mei 1963 kwamen KANU en Kenyatta als eerste premier aan de macht. Op dat moment kreeg Kenia zeggenschap over alle binnenlandse aangelegenheden. Defensie en buitenlandse zaken bleven in handen van de Britten. Op 12 december 1963 werd Kenia volledig onafhankelijk met Kenyatta als eerste president.
 
In 1964 werd Kenia vrijwel een eenpartijstaat doordat de KADU zichzelf ophief. Kenia kreeg tevens een parlement met maar één kamer. In 1966 werd er nog eenmaal een oppositiepartij opgericht door de Luo Oginga Odinga. Deze Odinga belandde een aantal keren in de gevangenis na complottheorieën tegen de regering. Tom Mboya, ook een Luo en gezien als een toekomstig presidentskandidaat, werd in 1969 doodgeschoten door een Kikuyu. Ook J.N. Kariuki, een zeer populaire Kikuyu die zich fanatiek uitte over de nieuwe zwarte elite en de daarmee samenhangende corruptie, werd vermoord in 1975. Ook andere tegenstanders van Kenyatta werden regelmatig gearresteerd en zonder vorm van proces lange tijd vastgehouden.
 
De periode na Kenyatta
Op 12 augustus 1978 overleed Kenia's eerste president Jomo Kenyatta. Kenyatta werd opgevolgd door Kenyatta's vice-president Daniël arap Moi, een lid van de Tugen-stam. Hij verklaarde de oorlog aan de corruptie en de vriendjespolitiek en amnestie voor alle gevangenen maar zijn bewind werd de eerste jaren gekenmerkt door arrestaties van dissidenten, het ontbinden van stamverbanden en de sluiting van enkele universiteiten. Vaak gebeurde dat na vermeende complottheorieën tegen de regering. In ieder geval werd kritiek op Moi en zijn regering absoluut niet getolereerd. In augustus 1982 volgde een couppoging van de Keniaanse luchtmacht, gesteund door studenten van de Nairobi University. De coup werd neergeslagen door regeringsgezinde troepen en kostte ca. 120 mensen het leven. Twaalf leiders werden ter dood veroordeeld en 900 anderen kregen gevangenisstraffen opgelegd. De gehele luchtmacht werd vervangen door nieuwe eenheden. Na deze eerste couppoging zouden er nog meer gevolgd zijn, maar details daarover zijn nooit bekend gemaakt.
 
President Moi werd in maart 1987 herkozen middels een zeer controversieel stemsysteem. Na de verkiezingen benoemde Moi maar liefst 33 ministers en enkele belangrijke oppositie-politici werd de mond gesnoerd na beschuldigingen van stembusvervalsing. Daar kwam nog bovenop dat Moi de presidentiële macht nog aanzienlijk uitbreidde door zich het recht toe te kennen rechters en hoge ambtenaren naar eigen believen te kunnen benoemen of ontslaan. Vanaf die tijd werd de politieke oppositie in feite monddood gemaakt. De KANU versterkte haar machtige positie door middel van de KANU Youth Wing, de jongerenafdeling van de partij, die echter ook ingezet werd om demonstraties te ontregelen en oppositiefiguren lastig te vallen of zelfs te intimideren. Ook werden oppositieleiders als Mwai Kibaki en Kenneth Matiba zonder proces gevangen gezet. De oppositie moest nu komen van kerkelijke zijde. Verschillende Keniaanse geestelijke leiders van christelijke kerken lieten zich zeer kritisch uit over de regering van Moi. Ook zij werden echter bedreigd met gevangenisstraffen en vervolging.
 
Maar de tijden zouden veranderen; meerpartijensystemen staken overal in Afrika de kop op en Kenia zou hieraan niet ontsnappen. Na de ineenstorting van het communisme in Oost-Europa en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie vestigde het westen o.a. de aandacht op Afrika. Tot dan toe had men vele corrupte totalitaire regimes gesteund zolang ze maar geen communistische sympathieën vertoonden. De Keniaanse regering voelde zich al snel onder druk gezet door een aantal donorlanden om een meerpartijensysteem in te voeren en zo snel mogelijk een datum voor verkiezingen uit te schrijven, anders zou de financiële hulp gestopt worden. Om dit snel te bereiken werd begin 1992 voorlopig alle hulp opgeschort en zo werd de regering gedwongen mee te werken.
 
De oppositie, verenigd in het FORD (Forum for the Restoration of Democracy) leek de komende verkiezingen te gaan winnen. Maar de oppositie deed zichzelf de das om. De drie leiders, Odinga, Matiba en Kibaki wilden eigenlijk het liefst zelf president van Kenia worden. Daarom splitsten ze het FORD op in FORD-Kenya met Odinga, FORD-Asili met Matiba en de Democratic Party met Kibaki. Op dat moment was de kans op een verkiezingswinst eigenlijk al verkeken. Ondertussen drukte Moi voor 250 miljoen dollar aan Keniaanse shillings die echter niet gedekt werden door goudreserves. Dit geld werd aan de bevolking gegeven, ieder 500 Ksh. Hoewel Moi wist dat de economie door deze actie ineen zou storten, was het genoeg om veel stemmen te trekken bij de verkiezingen. Ook de stammentroef werd weer helemaal uitgespeeld. Hij liet toe dat de Kalenjin-stam (zijn geboortegrond) gevechten uitlokte tegen Kikuyu-boeren. Er vielen honderden doden en gewonden door deze gevechten en duizenden werden van huis en haard verdreven. Ook probeerde hij de verkiezingen in de laatste week van december te houden op een doordeweekse dag. Daardoor zouden tienduizenden kiezers, vooral in Nairobi en andere grote steden, niet kunnen stemmen omdat ze moesten stemmen in de plaats waar ze geregistreerd stonden. Internationale waarnemers werden pas enkele dagen van te voren ingevlogen.
 
De verkiezingen zelf verliepen redelijk eerlijk, maar het kwaad was toen al lang geschied. Moi en de KANU wonnen de verkiezingen met slechts eenderde van de stemmen. Als de oppositie verenigd was gebleven hadden ze zeker gewonnen. Na de verkiezingen liepen verschillende leden van het parlement over van de oppositie naar de KANU. De pers repte over kiezersbedrog en dat de KANU hier geld voor betaald zou hebben, maar kon uiteindelijk niets bewijzen. DE KANU had weinig meer te vrezen van de oppositie, die weer zeer verdeeld was wie de oppositieleider zou worden.
 
In 1995 werd er een nieuwe oppositiepartij opgericht. De Safina, opgericht door de blanke paleontoloog Richard Leakey, Raila Odinga en Paul Muite probeerde de versplinterde oppositie samen te brengen. President Moi zag gevaar en weigerde de partij te registreren. Leakey werd weken lang geïntimideerd. Moi bezigde zelfs uitspraken dat de blanken niets te zoeken hadden in de politiek en zich alleen druk mochten maken over hun economische activiteiten. In 1996 stelde de KANU voor om de grondwet te veranderen, zodat Moi nog een ambtstermijn president kon zijn.
 
In juli en augustus 1997 weer veel politiek-etnisch geweld in Nairobi en aan de kust met tientallen doden en honderden gewonden. President Moi, die in december 1997 werd herkozen, stond hierna beperkte hervormingen toe. Bij de parlementsverkiezingen, waar etnische factoren een belangrijke rol speelden, behaalde de regeringspartij KANU een kleine meerderheid. In de eerste maanden van 1998 kwamen bij rellen meer dan honderd mensen om het leven. Op 7 augustus 1998 kwam Kenia wel zeer negatief in het internationale nieuws. Er ontplofte een zware bom bij de Amerikaanse ambassade in Nairobi, waarbij een naastgelegen kantoorgebouw instortte. Meer dan 250 mensen werden gedood en ca. 5000 raakten gewond. De verdenking, ook voor de gelijktijdige aanslag op de Amerikaanse ambassade in de Tanzaniaanse hoofdstad Dar es-Salaam, richtte zich op een fundamentalistisch-islamitische groep die geleid werd door de Saoediër Osama bin Laden. In augustus leverde Pakistan een Palestijnse verdachte uit, Mohammed Saddiq Odeh. Hij wees de FBI in Nairobi op bewijsmateriaal. Odeh zou de aanslag hebben voorbereid met een Saoediër en een Egyptenaar. Er kwam veel kritiek op het optreden van Amerikaanse mariniers na de ontploffing, die in de hulpverlening voorrang gaven aan Amerikaanse slachtoffers. Maar de Keniaanse bevolking juichte even later wel Amerikaanse vergeldingsacties in Soedan en Afghanistan toe. President Moi tekende in 1998 een wet die voorzag in een grondwetsherziening. Moi gaf er de voorkeur aan de grondwetsherzieningen door het parlement te laten behandelen, waarin zijn partij de KANU de meerderheid heeft. Overigens stemde het parlement unaniem voor een wet die de macht van de president aan banden legt.
 
Kenia had in 1999 problemen aan al zijn grenzen. Soedan kwam weer terug op zijn claim op de Ilemi-driehoek, die op dat moment onder Keniaans beheer stond. Conflicten in Somalië en tussen het Ethiopische leger en het Oromo Liberation Front werden soms op Keniaans grondgebied uitgevochten. Internationaal een slechte beurt maakte Kenia toen agenten van de Turkse geheime dienst de Koerdische leider Öcalan in Nairobi ontvoerden en naar Turkije terugbrachten.
 
Eind december 2002 werd Mwai Kibaki, afkomstig van de Kikuyu-stam, uitgeroepen tot de nieuwe president van Kenia. Hij versloeg de regeringskandidaat Uhuru Kenyatta, de zoon van de in 1978 overleden president Kenyatta, met een ruime marge. In het parlement nam de uit twaalf partijen bestaande Nationale Regenboogcoalitie van de 71-jarige Kibaki de macht over van de KANU, de partij van de aftredende Daniel arap Moi, die vanaf 1978 president was. De KANU moest na 39 jaar plaatsnemen in de oppositiebanken.
 
De nieuwe president en regering erven van de vorige regering onder Moi een land dat gekenmerkt wordt door mismanagement en sociaal-economische mislukkingen. De Kenianen hoopten veranderingen te zien die zouden leiden tot een toename van welvaart en welzijn. Om hierin succesvol te zijn zou de regering het hoofd moeten bieden aan armoede, werkeloosheid, criminaliteit, corruptie en slecht gevoerd beleid en bestuur. De regering heeft echter enkele grote nederlagen achter elkaar gekend met de negatieve uitkomst van het referendum over de herziening van de grondwet en vervolgens door de grote corruptie schandalen die bekend werden in januari 2006. Na de ‘nee’ van het referendum ontsloeg Kibaki het gehele kabinet. Er was echter geen opvolging, waardoor sommige sleutelministers opnieuw aantraden. Na 5 maanden van reces herstartte het Keniaanse parlement in maart 2006. Daarnaast werd er in januari 2006 een groot corruptie schandaal in een rapport van John Githongo gepresenteerd, waarin werd geïmpliceerd dat enkele ministers betrokken waren bij corruptie bij staatscontracten.
 
Economie en Toersime
 
Algemeen
De economie van Kenia is moderner dan die van de andere Oost-Afrikaanse landen. Ca. 76% van de beroepsbevolking was in 1993 werkzaam in de landbouw; de bijdrage van deze sector aan het bruto nationaal product (bnp) was echter slechts 26% in 1999. Het overgrote deel van de Kenianen woont in een gebied met redelijk tot goede akkerbouwgronden (20% van het totaaloppervlak). De plattelandsbevolking leeft echter voor bijna de helft op het bestaansminimum. Toch is de landbouw de belangrijkste deviezenbron (de helft van de export bestaat uit landbouwproducten, m.n. koffie en thee), gevolgd door het snel groeiende toerisme. De steeds weerkerende perioden van grote droogte zijn een groot probleem voor de landbouwsector.
 
Industrie (ca. 18% van het bnp in 1999) en handel (ca. 11% van het bnp) berusten vnl. op particulier ondernemerschap. De industriële, agrarische en toeristensector zijn voor een groot deel in handen van buitenlandse ondernemingen. Hoewel de overheid een grotere Keniaanse deelname in de economie voorstaat, moedigt zij ook buitenlandse bedrijven aan in Kenia te investeren. Een belangrijk probleem is de werkloosheid (in 1999 ca. 50%), die vooral door de zeer snelle bevolkingsgroei wordt veroorzaakt. Schoolverlaters vinden vooral werk in de informele sector en in familieverband, in de bouw van huizen voor eigen gebruik en in de lokale dienstverlening. De ontwikkeling van niet- agrarische inkomensbronnen, evenals de herverdeling van de landbouwbedrijven, moet een antwoord geven op de snelle bevolkingsgroei.
 
Een ander probleem is de tegenvallende economische groei; de gemiddelde jaarlijkse groei bedraagt slechts 1% tegen een bevolkingsgroei van vrijwel 4%. Oorzaken hiervan zijn de achterblijvende landbouwproductie en de negatieve resultaten van een industrialisatiepolitiek die gericht was op het terugdringen van import. De afhankelijkheid van buitenlands kapitaal is groot. De buitenlandse schuld bedraagt ca. 6 miljard dollar.
 
Een handicap voor de economische ontwikkeling vormt ten slotte het gebrek aan delfstoffen en energiebronnen, zoals aardolie, aardgas en steenkool. De inflatie bedroeg in de periode 1985 tot 1994 11,7%, in 1994 zelfs 29% en in 1999 maar 6%. In februari 1998 liet het IMF weten geen steun aan Kenia te geven omdat de regering onvoldoende optrad tegen corruptie.
 
Buitenlandse hulp is zeer belangrijk voor de economie. In ontwikkelingsplannen ligt de nadruk op bestrijding van de armoede en de zgn. Keniasering van de economie. Andere opvallende punten zijn bestrijding van de corruptie, totale uitroeiing van het analfabetisme, verbetering van de medische voorzieningen en het transportsysteem. Er worden veel investeringen gedaan in de toeristensector. Ontwikkelingsactiviteiten worden veelal gedragen door kerkelijke groeperingen, vaak vanuit het buitenland ondersteund.
 
Op dit moment gaat Kenia door een diep economisch dal. Terwijl elders in de regio nog sprake is van economische groei, kent Kenia de ergste recessie sinds 1963, het jaar waarin Kenia onafhankelijk werd. De vooruitzichten zijn nog slechter. Hoewel hulp van IMF en Wereldbank al in de begroting is opgenomen, ca. 2 miljard, komt dat geld voorlopig niet los. Eerst zal er iets gedaan moeten worden aan de corruptie die het land teistert. Kenia stond dit jaar op de vierde plaats van de corruptielijst van Transparency International. Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) heeft van 1997 tot 2003 de financië le steun aan Kenia stopgezet met een korte hervatting in 2000. De voornaamste reden hiervoor was dat Kenia niet de met het IMF overeengekomen hervormingen heeft doorgevoerd die noodzakelijk zijn om de alom aanwezige corruptie aan te pakken. Evenmin heeft Kenia veel vooruitgang geboekt met de hervorming van het overheidsapparaat en de privatisering van een aantal staatsondernemingen. Het IMF hervatte de steun in 2004, maar de beslissing om het volgende deel uit te keren van het ‘poverty reduction and growth facility’ (PRGF) is uitgesteld tot mei 2006. Vanaf oktober 2004 heeft de Wereldbank geen enkele lening aan Kenia goedgekeurd. In januari 2006 heeft zij echter 2 projecten aangenomen, één project met betrekking tot institutionele hervormingen en een tweede met betrekking tot Oost-Afrikaanse handel. Momenteel houdt de Wereldbank zijn leningen in, wegens zorgen over de beleidsvoering en het niveau van corruptie.
 
Landbouw, veeteelt, visserij en bosbouw
Kenia is net als veel andere Afrikaanse landen een agrarisch land. Het grootste deel van de bevolking woont dan ook op het platteland. Maar dertien procent van het land is goed geschikt voor landbouw, omdat daar voldoende regen valt. De helft van de agrarische productie wordt op de consumentenmarkt verkocht en de rest is voor eigen gebruik. Kenia voorziet vrijwel in de eigen voedselbehoefte, op graan na.
 
De belangrijkste landbouwproducten zijn sisal, pyrethrum (grondstof voor een insectenbestrijdingsmiddel), tarwe, suiker, ananas en katoen. Maïs is het hoofdvoedsel dat vooral goed gedijt in warme,vochtige streken. De productie van koffie en thee wordt vooral gestimuleerd als exportproduct.In jaren met een goede productie was de thee goed voor 25% van de totale inkomsten uit export. Groeisectoren zijn verder groenten en vooral de bloementeelt, die voor ca. twee derde in Aalsmeer geveild wordt. Alleen grote landbouwondernemingen kunnen winstgevend produceren, maar zijn een uitzondering. Na de grote landhervorming kregen de Afrikaanse boeren en veefokkers ieder een eigen stuk land, die echter te klein waren om rendabel te exploiteren. Ze waren soms zelfs te klein om in eigen behoefte te kunnen voorzien.
 
De veestapel omvat naast schapen en geiten vooral runderen, die veelal door nomaden als de Maasai gehouden worden. In de drogere gebieden is de veehouderij de voornaamste economische activiteit gecombineerd met de verbouw van voedingsgewassen als gierst en sorghum. In droge jaren wordt het kwetsbare karakter van de veeteelt extra benadrukt. De meeste veeteeltproducten worden door de bevolking geconsumeerd. Vlees, vleesproducten en huiden maken 6% van de totale export uit. Door een veranderd consumptiepatroon moet er ook steeds meer geproduceerd worden voor de binnenlandse vraag.
 
De visserij in de Indische Oceaan en de grote meren is uitsluitend van lokale betekenis. In 1997 werd er ca. 160.000 ton vis gevangen, waarvan maar ca. 6000 ton zeevis. De meeste zoetwatervis wordt gevangen in het Victoria-meer. Het bosareaal, dat merendeels gelegen is tussen 1800 en 3000 m boven zeeniveau, wordt voor het grootste deel beschermd en kan dus niet economisch geëxploiteerd worden. Bovendien is het bosbestand in een periode van vijftig jaar teruggebracht van 30% naar 3% door het uitbreiden van de landbouw en de toenemende vraag naar hout. Een ecologische catastrofe dreigt omdat nu al 25% van het land woestijnachtig is. Van economisch belang zijn wel de bamboebossen voor de grote papierfabriek in Webuye.
 
Mijnbouw en energie
De mijnbouw is van beperkt belang (bijdrage aan bnp in 1992: 2%). Van de vele gedolven mineralen is soda-as het belangrijkst. Er zijn nog andere mineralen gevonden zoals zilver, goud, lood en kalksteen, maar deze zijn nog niet rendabel te exploiteren.
 
De energievoorziening is voornamelijk afhankelijk van geïmporteerde aardolie. Ongeveer 70% van de benodigde energie moet geïmporteerd worden. Vier hydro- elektrische centrales bevinden zich langs de Tanarivier en een andere bevindt zich in de Tukwel Gorge.
 
Industrie
Ca. 40% van de totale industriële productie bestaat uit voedings- en genotmiddelen. Verder moeten genoemd worden de chemische, de metaal-, de textiel- en leerindustrie en de papier- en grafische industrie. De meeste grote industriële ondernemingen zijn van buitenlandse bedrijven. De meeste bedrijven bevinden zich rond Nairobi en Mombasa. Enkele kleinere industriële centra bevinden zich in Nakuru, Kisumu, Eldoret en Thika.
Naast grote ondernemingen die het leeuwendeel van de productie verzorgen, zijn er tal van kleine ambachtelijke bedrijfjes. Slechts 20% van de industriële productie is bestemd voor de export. De jaarlijkse groei van de productie is geheel gebaseerd op de stijgende binnenlandse vraag.
 
Handel
De handelsbalans is doorgaans negatief. In 1998 werd er voor 2,2 miljard dollar geëxporteerd en voor 3,3 miljard dollar geïmporteerd. Door een positieve dienstenbalans, o.a. door inkomsten uit het toerisme en een aanzienlijke kapitaalimport bleef het totale tekort beperkt. Dalende koffie- en theeprijzen en stijgende olieprijzen vergrootten echter weer het tekort.
 
Ingevoerd worden vnl. aardolie, machines, motorrijtuigen, ijzer en staal. De belangrijkste importpartners zijn Groot-Brittannië, Verenigde Arabische Emiraten, Verenigde Staten, Japan, Duitsland en India. Uitgevoerd worden koffie, thee, aardolieproducten, ananasconserven, huiden, vlees, vleesproducten en cement. Belangrijkste exportpartners zijn Uganda, Groot-Brittannië, Tanzania, Egypte en Duitsland.
 
Toerisme
Sinds 1987 is het toerisme de belangrijkste bron van inkomsten voor Kenia. Toch is het toerisme kwetsbaar. De Golfoorlog en politieke en etnische problemen zorgden en zorgen nog steeds voor negatieve publiciteit die het aantal bezoekers niet ten goede komt. Jaarlijks komen er ca. 700.000 toeristen naar Kenia, voornamelijk uit Duitsland, Groot-Brittannië, Italië, Frankrijk en Noord- Amerika.
 
Verkeer
In het zuiden is het verkeersnet goed maar in het noorden is de situatie minder gunstig. De lengte van de spoorwegen is 2733 km. De lijn Mombasa-Nairobi-Kisumu is voor personenvervoer, de overige lijnen worden alleen voor goederenvervoer gebruikt. Het personenvervoer per trein is populair in Kenia doordat het veiliger is en de treinen redelijk op tijd rijden. Het wegennet is ongeveer 62.600 km lang, waarvan 8300 km geasfalteerd is. De wegen zijn meestal in een redelijke conditie, soms zelfs van uitstekende kwaliteit. Er rijden regelmatig bussen en minibussen (matatu's) in alle delen van het land.
 
De belangrijkste zeehaven is Mombasa waar in 1998 8,5 miljoen ton vracht verscheept werd. Kenia heeft een eigen luchtvaartmaatschappij (Kenya Airways) die o.a. de belangrijkste steden Nairobi, Mombasa, Kisumu en Malindi met elkaar verbindt. In 1997 werden er door Kenya Airways 778.600 personen vervoerd. Nairobi (2,3 miljoen passagiers verwerkt in 1997) en Mombasa bezitten internationale luchthavens. Er zijn diverse vliegvelden voor binnenlands verkeer. Privé-vliegmaatschappijtjes verbinden Nairobi met Mombasa, Kisumu, Nanyuki, Malindi, Lamu en de nationale parken Amboseli, Masai Mara en Samburu
 
Bevolking
 
Kenia telde in juli 2000 ongeveer 30.340.000 inwoners. De bevolkingsdichtheid bedroeg toen ca. 52 inwoners per km2. De ruimtelijke spreiding van de bevolking is zeer ongelijk: ca. driekwart van de bevolking is geconcentreerd op 10% van de totale landoppervlakte. De dichtstbevolkte gebieden zijn het zuiden en het zuidwesten en de kuststrook langs de Indische Oceaan. Grote gebieden van Kenia zijn praktisch leeg. Ca. driekwart van Kenia heeft een bevolkingsdichtheid van minder dan 10 inwoners per km2. Slechts 28% van de bevolking woonde in 1995 in steden van meer dan 2000 inwoners. Nairobi heeft ongeveer 2 miljoen inwoners.
 
De jaarlijkse bevolkingsgroei bedroeg tussen 1970 en 1990 gemiddeld 3,8%, een van de hoogste groeicijfers ter wereld. Tussen 1990 en 1994 was het iets gedaald: 3,4% per jaar. In 2000 bedroeg de bevolkingsgroei nog maar 1,53%. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte bedraagt voor vrouwen ca. 49 jaar en voor mannen ca. 47 jaar. De bevolkingsopbouw met een groot percentage kinderen is typisch voor een ontwikkelingsland dat bovendien zwaar getroffen wordt door de ziekte aids.
 
Het aantal inwoners tussen 0-14 jaar bedraagt 43% (Nederland 18%), tussen 15 en 64 jaar 54% (Nederland 68%) en het aantal 65-plussers bedraagt 3% (Nederland 14%). Geboorte- en sterftecijfer (2000) bedragen respectievelijk 29,35 en 14,08. Het aantal sterfgevallen in het eerste levensjaar bedraagt per 1000 levendgeborenen in 2000 bijna 69.
 
Afrikanen vormen 97% van de totale bevolking en zijn in taalkundig o
Top