Tel: +31 (0)10 52 25 011 NL |   Fax: +31 (0)84 21 51 696 NL  skype afrika-online
English Nederlands
Home | Over Ons | Contact | Extra
Slideshow

Rondreizen en safarivakanties in Tanzania

Geografie

Algemeen
Tanzania (officieel in het Swahili: Jamhuri ya Muungano wa Tanzania = Verenigde Republiek van Tanzania) is een republiek in Oost-Afrika en bestaat uit het vroegere Tanganyika en de eilanden Zanzibar (eigenlijk Unguja) en Pemba. De Mafia-archipel wordt gevormd door het 50 km lange eiland Mafia, een dozijn kleinere eilanden en ontelbare koraalrotsen.
Tanzania grenst in het noorden aan Kenia (769 km) en Uganda (396 km), in het zuiden aan Mozambique (756 km), Malawi (475 km) en Zambia (338 km) en in het westen aan de Democratische Republiek Congo (459 km), Rwanda (217 km) en Burundi (451 km).x Tanzania grenst in het oosten in zijn geheel aan de Indische Oceaan en ook de andere grenzen bestaan voor een groot deel uit water: in het westen Lake Tanganyika, in het noordwesten Lake Victoria en in het zuidwesten Lake Malawi, terwijl de grens met Mozambique gevormd wordt door de rivier de Rovuma.
 
De totale oppervlakte van Tanzania bedraagt 945.087 km2 en daarmee is Tanzania ongeveer 22,5 keer zo groot als Nederland of net zo groot als Frankrijk, Duitsland en België samen. Het is tevens het grootste land van Oost-Afrika. De grootste noord-zuid afstand (Moshi-Songea) bedraagt meer dan 1300 kilometer, de grootste oost-west afstand (Dar es Salaam-Kigoma) bedraagt meer dan 1600 kilometer.
 
Landschap
Het vasteland van Tanzania heeft een zeer gevarieerd landschap. Zeer bepalend is de Grote Afrikaanse Slenk of Great Rift Valley, die ontstaat in Turkije en via de Dode en de Rode Zee naar Ethiopië loopt en zich splitst in een oostelijk en westelijk gedeelte. De westelijke arm van de slenk komt via Uganda naar Tanzania; de oostelijke arm komt via Kenia Tanzania binnen. Nadat de armen van de slenk Tanzania verlaten komen ze weer samen in Malawi en eindigen voor de kust van Mozambique. De totale lengte van de Great Rift Valley bedraagt meer dan 9700 kilometer.
 
Als gevolg van het ontstaan van de Great Rift valley ontstonden er ook verschillende grote meren, waaronder Lake Natron, Lake Manyara en Lake Tanganyika, waar op 1430 meter diepte het laagste punt van Afrika te vinden is.
 
Tanzania kent vele grote en kleine rivieren, die echter geen van allen bevaarbaar zijn. Een aantal rivieren watert af op zoutmeren; de Pangani, Ruvu, Rufiji en Rovuma monden uit in de Indische Oceaan; de Kagera in de Middellandse Zee en de Malagarasi in de Atlantische Oceaan. Door de vele rivieren en meren heeft Tanzania meer oppervlaktewater dan welk land ook op het continent Afrika.
Door het aanwezige vulkanisme is op de grens met Kenia Afrika’s hoogste berg, de vulkaan Kilimanjaro (5895 meter) ontstaan. Tanzania telt nog één werkende (strato)vulkaan in het noorden bij Lake Natron: de Ol Doinyo Lengai of ‘Berg van God’. De berg is 2890 meter hoog met uitbarstingen in 1917, 1926, 1940 en 1966-67 en de krater vult zich sinds 1983 met lava. Mount Meru is de op vier na hoogste berg van Afrika.
 
Tanzania kent verder een vrij smalle kuststrook en een vlak tot licht heuvelachtig centraal plateau met een gemiddelde hoogte van 1200 meter. Het overheersende landschap in Tanzania is de savanne (o.a. in het Serengeti-natuurreservaat); een landschap met vooral grasland en hier en daar een boom. Verder bestaat het landschap uit steppe en tropisch bos.
 
De Ambori-grotten vormen het grootste grottenstelsel van Oost-Afrika met tien grotten die toegang geven tot een netwerk van kalkstenen tunnels dat naar schatting 200 km lang zou zijn. De grootste grotten zijn dertien meter hoog.
 
Hoogste bergen
* Mount Kilimanjaro 5.895 meter
* Mount Meru 4.566 meter
* Mount Rungwe 2.960 meter
* Uluguru Mountains 2.648 meter
* Rubeho Mountains 2.576 meter
* Livingstone Mountains 2.521 meter
* Mbizi Mountain 2.418 meter
* Mahari Mountain 2.373 meter
* Usambara Mountains 2.300 meter

LAKE VICTORIA (oorspronkelijke naam: Nyanza)
Lake Victoria dankt zijn naam aan de ontdekkingsreiziger John Hanning Speke, die in 1858 als eerste Europeaan het meer aanschouwde en het vernoemde naar koningin Victoria van Engeland.
 
De oppervlakte van het grootste meer van Afrika bedraagt 69.484 km2, en het meer is daarmee ongeveer net zo groot als Nederland en België samen. De maximale noord-zuidlengte is 337 km; de maximale oost-westbreedte 240 km. De totale kustlijn bedraagt 3220 km en het meer wordt omgeven door Kenia, Uganda, en Tanzania.
 
Het meer ligt meer dan 1100 meter boven zeeniveau en is maximaal 81 meter diep. Lake Victoria is een belangrijke bron voor de Nijl en wordt zelf gevoed door regenwater en door drie grote rivieren: de Kagera, de Katonga en de Mara. In het meer liggen tientallen eilanden, waarvan Ukerewe het grootste is en verder het bij toeristen onbekende Rubondo Island National Park. In dit park leeft de sitatoenga, een antilopesoort die elders bijna niet meer voorkomt.
 
Aan het meer liggen enkele belangrijke havenplaatsen: Mwanza, Bukoba en Musoma. Lake Victoria is het op een na grootste zoetwatermeer ter wereld, na het Titicacameer op de grens van Bolivia en Peru in Zuid-Amerika.
 
Vijftig jaar geleden bestond 80% van de vispopulatie in het meer uit cichliden, nu is dat nog maar 1%. Veel van de 200 inheemse cichlidensoorten zijn opgevreten door de uitgezette nijlbaars en ook het dumpen van chemisch afval en de daling van de zuurstof in het water hebben een vernietigende uitwerking gehad.
 
LAKE TANGANYIKA
Het Tanganyikameer is het grootste zoetwatermeer ter wereld en met 1550 meter het op één na diepste meer ter wereld.
 
Er leven naar schatting 1000 vooral inheemse soorten vis in het gigantische meer. Kigoma is de grootste stad langs de Tanzaniaanse oevers. Net boven deze stad ligt het Gombe Stream Natuional Park, met 52 km2 Tanzania’s kleinste nationale aprk en bekend geworden door het chimpansee-onderzoekproject van Jane Goodall.
 
KILIMANJARO
De Kilimanjaro, de hoogste berg van het continent Afrika, heeft eigenlijk drie toppen, waarvan de Kibo met 5895 meter de hoogste is. De Mawenzi is 5149 meter hoog en de Shira ‘maar’ 3962 meter. De drie toppen zijn eigenlijk drie vulkanen, waarvan de laatste erupties dateren van 100.000 jaar geleden. De krater van de Kibo is 200 meter diep en bevat nog actieve fumarolen (= damp- en gasbron in een vulkaan).
 
Op 6 oktober 1889 werd de Kilimanjaro voor het eerst bedwongen door de Duitse bergbeklimmers Hans Meyer en Ludwig Purtscheller.
De hellingen van de Kilimanjaro zijn zeer vruchtbaar en tot 1400 meter groeien er vele gewassen. De laagste delen van de berg bestaan uit savanne, vanaf 1800 meter is er dichtbegroeid bos. Boven de 3000 meter, de vorstgrens, groeit niet veel meer. De top bestaat uit sneeuw en ijs.
 
De Chagga-stam bevolkt al sinds vele eeuwen de hellingen van de Kilimanjaro. Het Kilimanjaro National Park beslaat een gebied van 760 km2.
 
NGORONGORO-KRATER
De Ngorongoro-krater is de grootste nog intacte caldeira (= door instorting gevormde trechtervormige krater in een vulkaan) ter wereld, met een doorsnede van ca. 18 kilometer, een oppervlakte van 260 km2 en een kraterwand die maximaal meer dan 600 meter hoog is.
 
De krater wordt bewoond door ca. 40.000 Maasai, die 200 jaar geleden de Mbulu en Datoga verdreven. In 1951 werd het gebied van de krater ingelijfd bij het Serengeti National Park en vanaf 1978 verklaarde UNESCO de krater tot werelderfgoed van de mensheid.
 
De krater ligt in het Ngorongoro-reservaat (Ngorongoro Game Reserve; 8000 km2) en er leven naar schatting 30.000 dieren in de krater. Daarmee is dit een van de dichtstbevolkte wildgebieden ter wereld.
 
Een opmerkelijk verschijnsel vormen de ‘shifting sands’, een soort duin, ca. 30.000 jaar geleden tijdens een uitbarsting van de vulkaan Ol Donyo Lengai gevormd uit as. Elk jaar, gedurende het droge seizoen, verplaatst de 100 meter lange en 9 meter hoge ‘duin’ van as en zand gemiddeld ca. 17 meter in oostelijke richting.
 
Klimaat

Tanzania ligt dicht bij de evenaar en heeft daardoor een tropisch klimaat met een gemiddeld verschil tussen de hoogste en de laagste temperatuur van niet meer dan vijf graden. Het kustgebied is bijna het hele jaar door warm en vochtig met temperaturen tussen 22 en 30°C en een luchtvochtigheid tussen 75 en 80%. In bergachtige gebieden, waaronder de Kilimanjaro, het Usambara-gebergte en de noordelijke en zuidelijke hooglanden, kan de temperatuur in de periode mei-augustus tot 12°C zakken. In het bergland komt ook regelmatig nachtvorst voor, en de top van de Kilimanjaro is altijd bedekt met sneeuw en ijs. De warmste tijd van het jaar is over het algemeen oktober tot februari; het koelst is de periode juni tot en met oktober. Op sommige plaatsen in het binnenland kan de temperatuur echter tot meer dan 40°C oplopen.
 
De neerslaghoeveelheden staan onder invloed van de heersende moessonwinden. Een groot deel van het land heeft twee regentijden: oktober-november met de zogenaamde kleine regens, en maart-mei met de zogenaamde grote regens. De neerslag varieert sterk en is onregelmatig gespreid over het land.
 
Gemiddeld valt er over het hele land ca. 750 mm per jaar. Er zijn ook gebieden waar meer dan 1250 mm valt, terwijl de droge gebieden, vooral het Centraal Plateau, nog geen 500 mm per jaar halen. Het Centraal Plateau kent ook maar één regenperiode, tussen december en mei.
 
Planten en dieren
 
Planten
Ecologisch kan Tanzania ingedeeld worden in een aantal zones:
 
Het acacia-savannebos heeft met ca. 2500 plantensoorten een zeer gevarieerde flora. De bossen liggen op het centraal plateau en de noordelijke graslandgebieden. De Serengeti-steppen zijn vooral begroeid met rode oot en diverse cypergrassen. Het uitgestrekte savanne-bos wordt door acaciabomen gedomineerd; Tanzania telt 40 inheemse soorten. Een bijzondere acaciasoort is de geelkleurige Acacia xanthopholoea of koortsboom, die veel voorkomt langs wateroppervlakten.
 
Het zuiden van Tanzania bestaat voor een groot gedeelte uit beboste savanne of Miombot, met ca. 15 soorten Brachystegia en lange grassoorten. De zeer opmerkelijke solitaire grillig gevormde baobab-bomen komen in heel Tanzania voor, met name onder de 1300-metergrens.
 
Het laaglandregenwoud is te vinden op de lagergelegen hellingen van het in het oosten gelegen Usambaragebergte. Dit gebergte beschikt over een onafgebroken bosgebied met de grootste hoogteverschillen van Oost-Afrika. Dit is een van rijkste biologische leefgebieden van Afrika met 276 geregistreerde bomen waarvan er 50 inheems zijn. In totaal is Tanzania slechts voor 1,5% bedekt met dichte wouden.
 
De rivierbossen en de altijdgroene bossen staan langs de grote rivieren en langs de hellingen bij het Manyarameer. De bossen bestaan uit hoge bomen als Trichilea emetica, Bridelia micrantha en Ficus sycamorus. Andere bekende verschijningen zijn de borassus en de dadelpalm.
 
Bergbossen groeien tussen een hoogte van 1200 meter en de boomgrens van 3000 meter. Door de gevarieerde regenval komen er op sommige plaatsen meer soorten voor dan op andere plaatsen. Op de hellingen van de Kilimanjaro komt vooral de Macaranga kilimandscharica voor. Op de regenarmere noordelijke en westelijke hellingen overheersen jeneverbes, olijfbomen, Nuxia congesta, klimop, kamferboom en de 30 meter hoge conifeer Podocarpus milanjianus.
 
Onder de bomen is een dichte begroeiing te vinden van struiken en wilde bloemen, waaronder vlijtig liesje, begonia, grote boomvarens, balsemien en Kaapse viooltjes.
 
Iets hoger op de hellingen staat onder andere de drie meter hoge veerachtige heideboom Erica excelsa en het kruiskruid Senecio johnstonii. Ook de begroeiing tussen 2800 en 4000 meter hoogte is zeer divers te noemen met Erica arborea, Erica exelsa, Hypericum revolutum, Helichrysum, gele protea, een vuurpijlsoort en verschillende soorten lobelia. De Lobelia deckenii en de Senecio kilimanjari groeien alleen op de Kilimanjaro.
 
Ook op een hoogte van 4000-5000 meter komen nog verschillende plantensoorten voor. In deze hooglandse woestenij groeien nog ongeveer 55 soorten, waaronder gekleurde lichenen en planten als de Haplocarpa rueppelii en de Haplosciadium abyssinicum.
 
Aan de kust van de Indische Oceaan komen mangrovebossen voor, meestal in de vorm van struiken en lagere bomen. Direct achter het mangrovegebied bevinden zich iets hoge kustbossen.
 
De 25 miljoen jaar oude Eastern Arcs, 13 beboste massieven, zijn van grote ecologische betekenis. Deze bossen behoren tot de gebieden met de grootste biodiversiteit ter wereld en zijn de oudste en meest stabiele van Afrika. Dankzij de voortdurende vochtige lucht die vanuit de Indische Oceaan binnendrijft, bestaan deze bossen al 30 miljoen jaar. De bossen herbergen 16 plantengeslachten, 75 gewervelde diersoorten en ca. 1000 inheemse ongewervelde diersoorten. In de afgelopen eeuw hebben echter vijf van de Eastern Arc-bossen meer dan driekwart van hun bebossing verloren door menselijk ingrijpen.
 
Tropisch regenwoud is beperkt tot delen van hoge bergen. Op Zanzibar is de natuurlijke plantengroei vrijwel geheel verdrongen door aangeplante, dichte kokospalmbossen.
 
Bijzondere bomen
In steden en dorpen is de flamboyant met zijn rood-oranje bloemen een opvallende en veel voorkomende verschijning.
 
Verwant aan de flamboyant is de jacaranda, die een dichte baderkruin heeft en in veel verschillende vormen voorkomt.
 
In de omgeving van veel huizen worden mangobomen geplant, met de bekende zeer eetbare vruchten.
 
Zeer opvallend zijn de bloeiende flame tree en de coral tree met zijn stekelige stam en leerachtige bladeren.
De candelabra lijkt op een cactus en de 18 meter hoge worstboom heeft typische vruchten die wel een meter lang en kilo’s zwaar kunnen worden.
 
De meest opvallende boom van Tanzania is de Adansonia digitata of baobab, bekend door grillige vormen en de vreemde takken. De vruchten zijn een lekkernij voor apen, en de boom wordt dan ook wel apenbroodboom genoemd. De baobab kan enkele tientallen meters hoog en zeer oud worden.
 
De meeste herkenbare acacia is de Acacia tortilis of parapluboom, die wel twintig meter hoog kan worden en centimeters lange doornen heeft.
 
De sycamore fig is een wilde vijg die een hoogte kan bereiken van 20 meter. De ronde vruchten worden door veel dieren gegeten, terwijl de bladeren een lekkernij zijn voor olifanten.
 
Dieren: algemeen
De dierenwereld van Tanzania is in de eerste plaats die van de savanne, en wordt gekenmerkt door talrijke antilopen (waarvan de blauwe of gestreepte gnoe verreweg de algemeenste is), buffels, wrattenzwijnen, giraffen, nijlpaarden, zebra's, zeldzame puntlipneushoorns, olifanten, leeuwen, panters, gevlekte hyena's, hyenahonden, enzovoort. Dat er zoveel verschillende diersoorten te vinden zijn in Tanzania is een gevolg van de vegetatie van het land en de hoogteverschillen.
 
De fauna van de bossen omvat o.a. verscheidene apensoorten en in het westen de chimpansee; de dierenwereld van de kustbossen verschilt enigszins van die van de wouden van het binnenland. Op de hoge bergtoppen heeft de fauna een alpien karakter.
 
De vogelwereld is zeer gevarieerd met meer dan 1000 soorten.
 
Reptielen en amfibieën omvatten honderden soorten.
 
De visfauna van de rivieren is vrij arm, maar de meren (Victoria- en Tanganyikameer) bevatten grote aantallen soorten, vooral onder de muilbroeders en verwanten.
 
De overige diergroepen zijn zeer rijk aan soorten maar nog weinig bekend. Voor de kust liggen koraalriffen met een typisch tropisch Indopacifische fauna.
 
Het eiland Zanzibar sluit wat de dierenwereld betreft aan bij het vasteland, zij het dat er enkele endemische elementen voorkomen, zoals o.a. een duiker (antiloop) en een franjeaap.
 
Tanzania omvat een groot aantal nationale parken en reservaten, waarvan sommige tot de belangrijkste en beroemdste ter wereld gerekend worden (Serengeti National Park, Ngorongorokrater). De natuurbescherming is na de onafhankelijkheid consequent voortgezet, ondanks stroperij en de slechte economische toestand.
 
Zoogdieren
In Tanzania komen veel grote zoogdieren voor, meer dan 80 soorten. Ook de beroemde ‘big five’ komen allemaal voor in Tanzania, namelijk olifant, leeuw, luipaard, nijlpaard en buffel.
 
Korte beschrijvingen:
 
* De Afrikaanse olifant is het grootste landzoogdier ter wereld, kan 3,5 meter hoog worden en mannetjes kunnen meer dan 6000 kg wegen. De slurf kan en lengte van 1,7 meter bereiken, de slagtanden kunnen bijna twee meter worden. Een groep olifanten bestaat uit vrouwtjes met jongen en staat onder leiding van het oudste vouwtje. Olifantenstieren leven solitair. Een olifantenjong weegt bij de geboorte al ca. 130 kilogram en is een meter hoog. Olifanten worden gemiddeld 60 tot 70 jaar oud. In Tanzania leven twee soorten olifanten, de savanneolifant en de bosolifant. Volwassen dieren eten wel 250 kilogram bladeren, takken, schors en vruchten.
* Het nijlpaard leeft in kudden in de meeste grote rivieren en meren van Tanzania en weegt tot 2500 kg, varieert in lengte van 3 tot 4 meter en wordt ongeveer 1,5 meter hoog. Het grootste deel van hun leven brengen ze in het water door, maar ook op het land kunnen ze goed uit de voeten. Volwassen dieren hebben geen natuurlijke vijanden.
* De zwarte of puntlipneushoorn wordt nog steeds met uitsterven bedreigd; witte neushoorns zijn uitgestorven in Tanzania.
* Een volwassen zwarte neushoorn kan 2500 kg zwaar worden, wordt gemiddeld 1,75 meter hoog en ruim drie meter lang. Neushoorns hebben geen natuurlijke vijanden, alleen jonge dieren vallen wel eens ten prooi aan leeuwen of een groep hyena’s. Het slechte gezichtsvermogen van de neushoorn wordt gecompenseerd door een uitstekend gehoor.
* De leeuw is de grootste katachtige van Afrika. Troepen bestaan uit zes tot twaalf leeuwinnen en hun welpen en één of meer mannetjes. Ze kunnen tot twee meter lang worden en tot 200 kg wegen. Over het algemeen jagen de vrouwtjes, en ze voeden zich met antilopes en ander kleinwild, maar ook giraffes worden aangevallen. De leeuwen in het Lake Manyara National Park hebben een opvallende eigenschap: ze klimmem in bomen!
* De luipaard leeft solitair en jaagt meestal ’s nachts. De luipaard is zo sterk dat hij een volwassen impala een boom in kan dragen. Ze houden zich zowel op vlakten als in bossen op.
De cheeta of jachtluipaard is een van de snelste zoogdieren ter wereld. Over korte afstanden kan hij meer dan 100 km per uur halen. Jonge jachtluipaarden vallen vaak ten prooi aan leeuwen, luipaarden en gevlekte hyena’s.
* Caracals leven in Tanzania’s drogere gebieden en lijken qua uiterlijk veel op lynxen.
* De serval is wat kleiner dan de cheetah en leeft in lang gras en in rietkragen.
De Afrikaanse wilde kat is een van de voorouders van de huiskat. Hij komt in geheel Afrika voor, tot in de buitenwijken van steden.
* De gevlekte hyena is een aaseter maar jaagt ook in groepen op antilopen, zebra’s en zelfs de gevaarlijke buffels. De gestreepte hyena is wat kleiner dan de gevlekte en wordt soms in Noord-Tanzania gezien.
* De zwartrugjakhals en de gestreepte jakhals jagen op kleine zoogdieren, maar zijn ook aaseters. De zwartrug leeft op de open savanne, de gestreepte jakhals heeft een voorkeur voor een bosrijke omgeving.
* De Afrikaanse wilde hond heeft een in het dierenrijk unieke tekening. Het zijn zeer goede jagers die in groepjes van 10-15 exemplaren samenwerken. Dit dier wordt met uitsterven bedreigd.
* In Tanzania komt de Maasai- of Kenia-giraffe voor, die opvalt door zijn onregelmatige vlekkenpatroon. Een mannetje kan 5,5 meter groot worden en zelfs een pasgeboren giraffe is al 1,75 groot. Giraffes leven van bladeren, vruchten, bloemen en boomschors, maar heeft een grote voorkeur voor de doornige acacia. Ze leven in groepen van 10 tot 25 dieren.
* In Tanzania komt alleen de gewone of burchellzebra voor. Een zebrakudde bestaat uit één hengst en een aantal merries met veulens. Gedurende de trek groeien de kleine kudden uit tot grote kudden van duizenden exemplaren. De zebra wordt ca. 1,5 meter hoog en voedt zich voornamelijk met gras.
* De Afrikaanse buffel is zeer zwaargebouwd en heeft een schofthoogte tot 150 cm. De hoorns kunnen tot 1,5 meter lang worden. Ze leven in kuddes van enkele tientallen tot enkele duizenden exemplaren.
* De (witbaard)gnoe of wildebeest komt het meest voor in Afrika. Gnoes leven normaal gesproken in groepen van ca. 30 dieren, maar tijdens de jaarlijkse migratie tussen Serengeti Masai-Mara verzamelen zich tienduizenden gnoes.
* De elandantilope is de grootste antilope van Afrika, leeft op de uitgestrekte grasvlakten en trekken rond in kuddes van ca. 20 dieren. De schroefvormige hoorns van het mannetje kunnen 1.25 meter lang worden.
* Andere antiloopsoorten zijn onder meer het hartebeest (twee soorten: Coke’s hartebeest en topi), de sabelantilope, paardantilope, oryx of spiesbok, gewone waterbok, grote koedoe, kleine koedoe, bosbok, rietbok, grijze duiker, dikdik en oribi.
* De Grantgazelle heeft sierlijke lange hoorns en leeft in kuddes van ongeveer 30 dieren.
* De Thomsongazelle is de meest voorkomende gazelle in Tanzania; in geheel Oost-Afrika zijn er ca. 1 miljoen in aantal.
Andere gazellesoorten zijn de impala en de girafgazelle of gerenoek.
* Het wrattenzwijn is het enige Afrikaanse wilde zwijn. De wratachtige uitwassen op zijn kop (vier bij de vrouwtjes en zes bij de mannetjes) zijn zeer kenmerkend.
Het penseelzwijn is vooral ’s nachts actief en komt nog maar sporadisch voor in Tanzania.
* De grootoorvos is zilvergrijs van kleur en ze eten voornamelijk termieten. Ze leven vooral op grasvlakten en licht bebost terrein.
* De witstaartmangoest is zeer groot en komt in heel Tanzania voor. Het dier leeft solitair en jaagt op ongewervelde dieren, kleine zoogdieren, maar eet ook vruchten.
* Andere mangoesten zijn de dwergmangoest en de zebramangoest.
* De tijgergenetkat is een nachtdier, leeft solitair en jaagt op grote ongewervelde dieren en kleine zoogdieren.
Andere kleine roofdieren zijn de gewone genetkat, de Afrikaanse civetkat en de ratel of honingdas.
* De chimpansee is een mensaap, ongeveer 120 cm groot en leeft in beboste gebieden in groepen tot wel 100 dieren.
* De baviaan is de grootste aap van Afrika en leeft zowel in bomen als op de grond. Ze leven in groepen van wel 100 dieren, en eten plantensoorten, insecten, eieren en zelfs kleine zoogdieren.
* Andere apen zijn de groene meerkat, de blauwe meerkat, colobusaap of franjeaap (zwartwitte franjeaap, rode franjeaap, Uhehe-rode franjeaap) en de zeer zeldzame en pas in 1979 ontdekte Sanje-kuifmangabey. Kirk’s rode franjeaap leeft alleen nog op Zanzibar.
* De springhaas is ene knaagdier maar uitdrukkelijk geen lid van de hazenfamilie. Hij is ongeveer 80 cm lang, leeft in tunnels en voedt zich met wortels, gras en andere planten.
De grote galago is een kleine primaatsoort en verre familie van de maki’s van Madagaskar. Galago’s eten alles , maar het liefst vruchten, met name vijgen. In Tanzania komt ook nog de Senegal-galago voor.
* Klipdassen zijn, hoe ongelooflijk het ook lijkt, familie van de olifant. Ze eten bladeren, bloemen en vruchten. De boomdas is verwant aan de klipdas, maar leeft ‘s nachts.
* Het stekelvarken kan inclusief stekels wel drie meter lang worden. In Tanzania komen twee soorten voor die, behalve in dichte bebossing, overal in Tanzania voorkomen.
* Het aardvarken lijkt enigszins op een varken, is solitair en alleen ’s nachts actief. Met zijn lange kleverige tong vangt hij termieten, mieren en larven.

Vogels
Tanzania telt meer dan 1000 vogelsoorten, waaronder een aantal zeer zeldzame soorten, zoals de Udzungwa-patrijs (pas in 1991 ontdekt), de Abbotts duiker en de groene Pemba-duif. De grote variëteit in vogelsoorten wordt vooral veroorzaakt door de vele klimaten die Tanzania kent en de verschillende vegetatievormen.
 
* De in groepen levende struisvogel is de grootste en zwaarste vogel ter wereld. Het is een loopvogel die snelheden tot 50 km per uur kan bereiken.
* De secretarisvogel is een roofvogel die jaagt op knaagdieren, insecten en reptielen. Hij jaagt op de grond, maar kan ook vliegen en slaapt ’s nachts in een doornboom.
* De koritrap is de zwaarste vliegende vogel van Afrika, Een mannetjesexemplaar kan 1.20 meter groot worden en 18 kg zwaar. Ze jagen op insecten, reptielen en kleine knaagdieren.
* De aasetende maraboe is een grote ooievaarsoort die in kolonies leeft. Ze eten verder ook nog sprinkhanen en kikkers. Andere ooievaarsoorten zijn de zadelbekooievaar, de witte ooievaar, de Afrikaanse gaper, de Abdimooievaar en de Afrikaanse nimmerzat.
* De meest voorkomende gieren in Tanzania zijn de witruggier en Rüppels-gier. Andere gieren zijn de Egyptische gier, de lammergier. De kapgier en de oorgier.
* De heilige ibis, een waadvogel, valt vooral op door zijn kale zwarte kop en nek. Hij komt voor aan rivieroevers en stranden en in moerassen. In de modder zoeken ze naar slakken en schaaldieren. De hadada-ibis leeft in paren of kleine groepen.
* De Afrikaanse slangenhalsvogel lijkt op een aalscholver en leeft onder andere in binnenwateren en bij voorkeur traag stromende rivieren. Hij vangt zijn voedsel onder water, waarbij hij de vissen met zijn dolkachtige snavel doorboort.
* De witborstaalscholver is de grootste aalscholversoort van Afrika en komt ook het meest voor. De kleinere Afrikaanse dwergaalscholver komt ook in Tanzania voor.
Andere veel voorkomende watervogels zijn de kleine en grote flamingo, de witte pelikaan, de roze pelikaan, de hamerkop, de reuzenreiger (grootste reigersoort ter wereld), de koereiger, de blauwe reiger, de zwartkopreiger, de purperreiger, de spoorwiekgans, de kroonkieviet en de Afrikaanse jaçana of lelieloper.
* De Afrikaanse zeearend is nauw verwant aan de Amerikaanse zeearend. In Oost-Afrika leven verder nog verschillende andere arende, zoals de vechtarend, de kroonarend, de zwarte arend, de bateleur (soort slangenarend) en de steppearend. Een bijzondere uilensoort is de Verreaux’ oehoe en verder nog de Afrikaanse oehoe, de geparelde dwerguil en de kerkuil.
* De witbuiktoerako is een slechte vlieger en leeft in bosrijke gebieden. In Zuid-Tanzania komt de grijze toerako veel voor.
Honingzuigers leven altijd in de buurt van bloeiende planten, want ze zijn afhankelijk van de honing, hun belangrijkste voedingsmiddel. In Tanzania komen veel soorten voor, onder meer de emerald-, roodborst-, groenkeel-, olijfkleurige- en amethisthoningzuiger.
* De roodsnaveltok is één van de twintig toksoorten die in Tanzania voorkomen. Ze eten insecten, kleine reptielen, zaden en vruchten en nesstelen in boomholtes. Andere toksoorten zijn de Ethiopische geelsnaveltok, de kuiftok en de grijze tok.
* De gespikkelde muisvogel heeft net als andere muisvogelsoorten zachte, vachtachtige veren. Ze eten vruchten en leven in kolonies van 10-30 vogels.
* Fischers dwergpapegaai is genoemd naar de 19-euwse ontdekkingsreiziger G.A. Fischer. De vogel is inheems in Tanzania en komt alleen in het noorden van het land voor op open grasvlaktes en landbouwgebieden.
* De dwergbijeneter is de kleinste van de bijenetersfamilie en wordt maar 15 centimeter voor. Ze eten niet allen bijen, maar ook cicaden, horzels, wespen en libellen. Andere soorten zijn de witkapbijeneter en de bergbijen eter.
* De roodsnavelossenpikker is een lid van de spreeuwenfamilie en eet teken en bloedzuigende vliegen uit de ruggen van vee en grote wilde zoogdieren. Zeldzaam is de geelsnavelossenpikker.
Het helmparelhoen komt veel voor in Tanzania. De vogel leeft vooral op de grond maar overnacht hoog in bomen. Ze eten insecten, slakken, vruchten en zaden. Een andere soort is het gierparelhoen.
* De gekuifde frankolijn is een van de zestien soorten van de frankolijn. Ze lijken wat op patrijzen, leven ook voornamelijk op de grond en nestelen in ondiepe holtes. De gekuifde variant leeft vooral in droge beboste gebieden.
* De zaadetende donkerrode vuurvink nestelt vaak in de buurt van mensen. Ze leven in kolonies van 20-40 vogels.
Wevers zijn grote vinken, die ingewikkelde holle nesten van gras weven. Elke soort maakt zijn eigen typische nest. De zwartkopwever maakt een nest in de vorm van een ui.
* De roodbekwever is een van de meest voorkomende vogels op aarde en een plaag voor de landbouw. Andere soorten zijn de brilwever, de maskerwever en de Speke’s wever.
Spoorkoekoeken voelen zich vooral op de grond erg thuis en jagen daar op insecten, reptielen, en kleine knaagdieren. In Tanzania komen onder andere de wenkbrauwspoorkoekoek en de blauwkopspoorkoekoek voor.
* De schildraaf is de meest voorkomende ravensoort van Afrika. Ze eten aas, vogels, insecten, kleine knaagdieren en eieren. Een grotere soort is de witnekraaf.
* Er zijn uiteraard nog veel meer vogels, waaronder berghaan, driekleurige glansspreeuw, Hildebrandtglansspreeuw, groenstaartglansspreeuw, blauwe langstaartglansspreeuw, kroonkraanvogel, neushoornvogel, Nijlgans,
* Verschillende kleine vogels met extreem lange staarten zijn de Afrikaanse paradijsmonarch, eksterklauwier, roodkeelwidavink, hanenstaartwidavink, breedstaartparadijswida en Fischer’s agapornis of ‘lovebird’.

Reptielen en amfibieën
De meeste van de ca. 500 reptielensoorten in Tanzania zijn ongevaarlijk, maar opletten is het voor enkele giftige slangensoorten en natuurlijk voor krokodillen. Veel amfibieën hebben zich aangepast aan de langdurige droge periodes, en verdwijnen eenvoudig voor enkele maanden onder de grond, wachtend op de nieuwe regenperiode.
 
* De Nijlkrokodil wordt 5-7 meter lang en kan 900 kg zwaar worden. Ook op het land kunnen ze een hoge snelheid bereiken. Ze eten vooral vis en verder zoogdieren als bavianen, antilopen, gnoes en af en toe mensen.
* De Nijlvaraan is de grootste hagedis van Afrika en kan twee meter groot worden. Ze eten het liefst eieren, maar ook vogels en kleine zoogdieren. Ze klimmen in bomen maar kunnen ook lange tijd onder water blijven.
* De savannevaraan is met een lengte van hooguit 130 cm een stuk kleiner dan de Nijlvaraan.
Er zijn meer dan 80 soorten skinken, een soort hagedissen. Een aantal komt voor in Oost-Afrika, waarvan de Afrikaanse gestreepte skink de meest voorkomende in Tanzania is.
* De drieklauwschildpad wordt maximaal 90 cm groot en kan zo’n 45 kg wegen. Hij is groenbruin van kleur en komt voor in groter rivieren, meren en soms zelfs in de zee. Deze schildpad eet vooral vis en weekdieren, maar ook wel vruchten en insecten.
* Andere schildpadden in Tanzania zijn de panterschildpad, de Afrikaanse moerasschildpad, de pannenkoekschildpad en de groene schildpad, de grootste van de zeeschildpadden.
* De zwarte mamba kan bijna 2,5 meter lang worden en hij voedt zich met vogels en kleine zoogdieren. De zwarte mamma is zeer giftig, evenals de pofadder, die maar één meter lang wordt. In tegenstelling tot andere slangen is de pofadder levendbarend.
* Andere slangen zijn de Mozambikaansese spuugcobra, de meest voorkomende slang in Afrika, de boomslang en de Afrikaanse rotspython, de grootste slang van Afrika.
* De Afrikaanse stierkikker kan wel 20 cm lang worden, en dat is voor een kikker erg groot. Naast wormen en insecten eten ze af en toe zelfs kleine zoogdieren.
* De tuimelaar is een zeezoogdier want behoort tot de dolfijnenfamilie. Het dier kan vier meter lang worden en 650 kg zwaar worden. Ze zwemmen in scholen van enkele tientallen exemplaren rond het eiland Zanzibar.
* De zeldzame Chumbe-kokoskrab is de grootste nog levende landkrab ter wereld. Hij klimt in palmbomen en kan met zijn klauwen een kokosnoot kraken.
* Er leven enkele tienduizenden soorten ongewervelde dieren in Tanzania. Sommige kunnen gevaarlijk zijn voor de mens, zoals giftige spinnen, malariamuskieten, schorpioenen en tseetseevliegen.
* Wandelende takken kunnen tot 20 cm groot worden. Ze eten vrijwel alleen bladeren. Sommige soorten hebben vleugels, maar alleen mannetjes kunnen vliegen.
Wereldwijd leven er zo’n 2000 soorten bidsprinkhanen. Ze vangen kleine insecten met hun voorpoten. Een Tanzaniaanse soort kan wel 15 cm groot worden.
* De mestkever komt ook in alle soorten en maten voor; ze worden bijvoorbeeld tussen de 0,5 en 4 cm lang. Ze voeden zich met dierlijke uitwerpselen en worden zelf veel gegeten door mangoesten en grootoorvossen.
* De achaatslak heeft een huisje dat 10 cm groot kan worden en eet alle soorten vegetatie. In sommige gebieden is de slak erg schadelijk voor de landbouw.
* De mopaneworm is in feite een larve of rups van de grote nachtpauwoog. Hij eet uitsluitend bladeren van de mopaneboom en wordt op zijn beurt weer gegeten door de lokale bevolking, voor wie het een proteïnerijke lekkernij is.
* De gouden wielspin, waarvan het vrouwtje wel 5 cm groot wordt, maken zeer sterke webben, waarin zelfs kleine vogels verstrikt raken. De spin is giftig, maar niet dodelijk voor de mens.
* Er zijn meer dan 1000 soorten duizendpoten (in werkelijkheid enkele honderden poten), waarvan er veel in Tanzania voorkomen. De grote soorten kunnen wel 30 cm lang worden. Ze eten dode en rottende planten.
* Van de meer dan 2500 soorten muskieten komen er veel voor in Oost-Afrika en dus ook in Tanzania. De vrouwelijke Anopheles houden erg van menselijk bloed en zijn de dragers van de parasieten die malaria veroorzaken.
* Ook de tseetseevlieg is zeer gevaarlijk voor de mens. Sommige soorten dragen parasieten met zich mee, die de slaapziekte kunnen veroorzaken.
* Goliathkevers kunnen 10 cm groot worden en wegen ongeveer 100 gram. In Tanzania komen twee soorten voor, de Goliathus goliatus en Goliathus orientalis, die beiden uitstekend kunnen vliegen.
* De trekmier is de grootste mier ter wereld; werkmieren zijn 33 mm groot, de koningin wordt 52 mm groot. De koningin legt in een jaar tijd tientallen miljoenen eieren. De trekmier leeft in bosrijke gebieden.
* De Tanzaniaanse langklauwschorpioen is niet erg giftig en ook niet agressief.Hij is zwart met bruine poten en volwassen exemplaren worden ongeveer 8 cm lang.

 
Vissen
In de poelen, beken, rivieren en meren van Tanzania komen vele vissoorten voor. Ook de warme Golfstroom van de Indische Oceaan voor de kust en rond Zanzibar, telt vele vissoorten.
 
* De Nijlbaars is de grootste zoetwatervis ter wereld en kan bijna 2 meter lang en 140 kg zwaar worden. Deze roofvis komt voor in de grote rivieren en meren, waaronder uiteraard het Victoriameer.
* De Nijltilapia is een stuk kleiner dan de Nijlbaars en kan 2 kg zwaar worden. Deze vis wordt zeer veel gegeten in Oost-Afrika en wordt daar ook gekweekt.
* De tijgervis is en roofvis, die jaagt op kleinere vissen en schaaldieren zoals garnalen. Hij kan 75 cm groot worden en meer dan 18 kg wegen.
* De familie der cichliden bestaat uit vele honderden soorten, waarvan er in de grote Afrikaanse meren veel voorkomen. De meeste cichliden zijn niet groter dan 20 cm.
* De grote tandbaars is één van de grootste koraalvissen ter wereld en kan tientallen jaren oud worden. Ze leven vaak in ondiep water en eten schaaldieren, vis, kleine schildpadden en zelfs kleine haaien.
* De zwarte marlijn kan tot drie meter lang worden weegt ongeveer 180 kg. Ze jagen op tonijn, zwaardvis, pijlinktvis en zelfs dolfijnen.
* De grote barracuda kan bijna twee meter lang worden en voedt zich met kleine vissen als harder, papegaaivis en ansjovis.

SERENGETI NATIONAL PARK
Het Serengeti National Park (vanaf 1951) is een van de beroemdste wildreservaten ter wereld en staat op de Werelderfgoedlijst van de Unesco. Serengeti beslaat 14.763 km2, ongeveer een derde van de oppervlakte van Nederland. Het volledige Serengeti-scosysteem omvat de Maasi Mara in kenia en het Ngorongoro Conservation Area, een gebied van ca. 25.000 km2. Eenderde van het park bestaat uit grasvlakten (‘Siringit’ is Maasi voor ‘daar waar het land geen einde kent’), en verder vallen zogenaamde ‘kopjes’ op: bergen grote kiezelstenen die door de erosie tevoorschijn zijn gekomen. In de buurt van de kopjes is vaak wat meer begroeiing en daardoor wat meer wild en gevogelte.
 
In het midden van het park ligt het Seronera-dal, één van de rijkste wildgebieden in de omgeving. Heel bekend is de seizoenstrek van gnoes en zebra’s tussen Serengeti en Masai Mara, waarbij miljoenen dieren twee keer per jaar zijn betrokken. Geschatte populaties: o.a. 150.000 zebra’s, 25.000 buffels, 200.000 Thomson-gazelles, 8.000 giraffes.
 
Geschiedenis

Oudheid en Middeleeuwen
In de Oldowaikloof zijn 1,8 miljoen jaar oude overblijfselen van mensachtige wezens (o.a. Zinjanthropus) gevonden. De oorspronkelijke bewoners van het vasteland van Tanzania zijn nu bijna verdwenen. Het waren jagers en verzamelaars, verwant aan de Zuid-Afrikaanse San (Bosjesmannen). Zij werden verdreven door volken met een Bantoe-taal, veelal landbouwers, en Nilotisch sprekende veehouders zoals de Maasai. Deze immigratie naar het Tanzaniaanse grondgebied begon ca. 3000 jaar geleden en ging tot ca. 1850 door.
 
Vanaf de 9e eeuw vestigden zich Arabieren langs de kust, en door de vermenging van de Bantoe-talen en het Arabisch ontstond het Kiswahili, een handelstaal of ‘lingua franca’ die door vrijwel alle autochtone bewoners van Tanzania begrepen en gesproken werd. Portugezen overheersten de handel tussen 1498 en 1828, toen zij definitief werden verslagen door de Arabieren.
 
Slaven waren op een gegeven moment de belangrijkste handelswaar. Veel slaven werden verscheept naar suikerplantages op de nabijgelegen eilanden Zanzibar, Mauritius en Réunion, naar Arabische landen en ook nog naar Amerika en het Caribische gebied. Het ‘hoogtepunt’ van de slavenhandel lag in de jaren zestig van de 19e eeuw. Bagamayo was toen de belangrijkste slavenmarkt van het vasteland van Oost-Afrika.
 
Duitse overheersing
In 1884 trok de Duitser Karl Peeters in opdracht van de Deutsche Ost-Afrika Gesellschaft het Oost-Afrikaanse binnenland in. Namens kanselier Bismarck werden er verdagen gesloten met lokale stamhoofden, die daardoor op ‘bescherming’ konden rekenen. Toen dit echter doorsloeg in het verbieden van lokale tradities en het neerschieten van een zwarte, brak er in 1888 een opstand uit, die echter keihard werd neergeslagen door de ‘Reichsregierung’. De sultan van Zanzibar zag zijn zeggenschap over grote delen van het vasteland verloren gaan en riep de hulp in van de Britten. Die reageerden echter averechts en sloten in 1890 zelfs een verbond met de Duitsers, waardoor Tanganyika (nu: Tanzania, Burundi en Rwanda) een Duits protectoraat werd en Kenia, Uganda en Zanzibar binnen de Britse invloedssfeer kwamen. Voor de arme sultan bleef nog een smalle kuststrook op het vasteland over en koningin Victoria van Groot-Brittannië schonk de berg Kilimanjaro aan de kleinzoon van de Duitse keizer.
 
De kolonisatie van Tanganyika door de Duitsers verliep vrij moeizaam, vooral in het binnenland. Belangrijk voor het gebied was wel de aanleg van een spoorlijn van de kust naar een vruchtbaar gebied in de buurt van de Kilimanjaro. De bouw van de spoorlijn begon in 1891 en duurde tot 1911. Verder werd de verbouw van handelsgewassen als koffie en sisal gestimuleerd en gefinancierd. Katoen leverde door de matige grondkwaliteit niet zoveel op, en toen men toch werd gedwongen om in de zuidelijke kustgebieden katoen te verbouwen, brak in 1905 de Maji Maji-opstand uit. Dit kostte meer dan 70.000 Tanganyikanen het leven, niet alleen door oorlogshandelingen maar ook door honger en ziekte.
 
De Duitsers zagen echter al snel in dat dwangarbeid hier niet werkte en stimuleerden de kleinschalige Afrikaanse landbouw, met als bijkomend gevolg dat de onrust onder de bevolking sterk afnam. Hierdoor kon bijvoorbeeld de katoenteelt zich goed ontwikkelen ten zuiden van het Victoria-meer, het woongebied van de Sukuma. De handel in katoen werd aan het eind van de negentiende eeuw vrijwel geheel geregeld door Aziatische handelaren.
 
Tanganyika onder Brits mandaat
De Eerste Wereldoorlog had een grote invloed op het Duitse bewind in Oost-Afrika. Het Duitse leger verloor keer op keer van de Britten, maar het lukte de Britten niet om de Duitsers definitief te verjagen.
 
Bij het vredesverdrag van 1919 werd echter bepaald dat Duitsland haar aanspraken op Oost-Afrika en alle andere koloniën moest opgeven. Vervolgens werd Tanganyika onder Brits mandaat geplaatst, met dien verstande dat het gebied Rwanda-Urundi in Belgische handen viel. De Britten vonden hun nieuwe mandaatgebied echter absoluut niet interessant en in combinatie met de economische wereldcrisis leed de Tanganyikaanse landbouw zwaar onder het uitblijven van investeringen en de dalende exportprijzen.
 
Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging het weer wat beter met de Tanganyikaanse economie. De Britse troepen in Oost-Afrika hadden veel voedsel nodig, maar ook rubber. Ook na de oorlog bleef Tanganyika voor de Britten interessant, omdat door de onafhankelijkheid van India grote afzetgebieden waren weggevallen.
 
Tanganyika op weg naar zelfstandigheid
Na de Tweede Wereldoorlog werden alle mandaatgebieden van de Volkenbond onder toezicht van de Verenigde Naties geplaatst. Het doel daarvan was om die gebieden langzaamaan zelfbestuur te geven en te begeleiden naar onafhankelijkheid. In 1948 werden in Tanganyika de eerste verkiezingen voor een Wetgevende Vergadering gehouden.
 
In 1956 reisde Julius Kambarage Nyerere, de latere president, naar de Verenigde Naties in New York om daar de zelfstandigheid van Tanganyika te bepleiten, waar hij een groot voorstander van was. Uiteindelijk erkenden de Verenigde Naties het recht op zelfbeschikking en ook Nyereres nationale politieke beweging Tanganyika Africa National Union (TANU) werd erkend als een nationale politieke beweging. Dit verlangen naar onafhankelijkheid dateerde al van de tijd tussen de twee wereldoorlogen en speelde in het hele land. Met name de door de Britten gehanteerde bestuursvorm ‘indirect rule’ zette veel kwaad bloed. Dit hield in dat de Britten lokale ‘chiefs’ aanstelde, ook in gebieden waar deze stamhoofden niet betekenden voor de gewone bevolking. De chiefs werden er dan ook van beticht te heulen met de kolonisator.
 
Ook om economische redenen boterde het niet tussen de Britten en de Tanganyikanen. De productie van landbouwgewassen moest verder verhoogd worden en daarom werd de kleine boeren verdreven van hun grond voor de aanleg van grote plantages. Bovendien werd men gedwongen andere landbouwmethoden toe te passen, die door een gebrek aan kennis verkeerd uitvielen. Om zich aan de macht van de Britten en de chiefs te onttrekken, verenigden de boeren in de belangrijkste productiegebieden zich in coöperaties. Hierdoor werd de mogelijkheid om verzet te bieden ook groter. De Britten keken met gemengde gevoelens naar deze ontwikkelingen, die zowel voor- als nadelen met zich meebracht. Uiteindelijk echter zouden de coöperaties zich definitief tegen de Britse overheersers keren.
 
Na de boeren kwamen de havenarbeiders in de steden in opstand tegen de Britten. Hun belangrijkste eis was loonsverhoging en zowel spoorwegarbeiders en onderwijzend personeel zouden uiteindelijk met de havenarbeiders mee staken. Om de stakingen niet over te laten slaan naar andere delen van het land besloten de Britten om concessies te doen. Ze gingen akkoord met de loonsverhoging en stonden de vorming van vakbonden toe. In 1955 werd de Tanganyika Federation of Labour (TFL), een federatie van verschillende vakbonden, opgericht, onder leiding van Rashidi Kawawa, de latere premier. In 1954 was er ook al een eerste nationale politieke partij opgericht, de Tanganyika African National Union (TANU), de opvolger van de in 1922 opgericht antikoloniale beweging Tanganyika African Association (TAA).
 
Opkomst Julius Nyerere
Julius Nyerere was de grote man van deze beweging, want al in 1940 had hij meer aandacht van de Britten opgeëist voor de ontwikkeling van de Afrikaanse bevolking en in 1954 verscheen er zelfs al een ontwerpgrondwet van de TAA.
 
In 1959 kreeg Tanganyika voor het eerst een kabinet, met uiteindelijk vijf ministers van de TANU. In 1960 werden de algemene verkiezingen gewonnen door de TANU, met 70 van de 71 zetels, met Nyerere als minister-president. In mei 1961 kreeg het land volledig zelfbestuur en op 9 december 1961 werd het onafhankelijke Tanganyika uitgeroepen, met Nyerere als president.
 
Onder Nyerere ging het aanvankelijk goed met Tanzania. Nyerere was populair en wist de eenheid onder de meer dan honderd bevolkingsgroepen te bewaren, met de TANU als bindmiddel. Hij trad zelfs een maand na de machtsoverdracht al weer af om de TANU over het hele land te organiseren. Zijn plaats werd ingenomen door oud-vakbondsleider Rashidi Kawawa, die meteen het koloniale bestuurssysteem op de schop nam.
 
Ontwikkelingen op Zanzibar
Op het eiland Zanzibar gingen de ontwikkelingen niet zo snel en bleef de bestaande hiërarchie nog vrij lang intact. Hier bezetten de Europeanen de hoogste posten en werden de Afrikanen onder de duim gehouden en te werk gesteld op de landbouwgronden. Twee jaar na Tanganyika, in december 1963, werden ook Zanzibar en Pemba onafhankelijk, maar de regering hield het maar één maand uit.
 
In januari 1964 kwam de zwarte bevolking in opstand tegen de onderdrukkende Arabieren en de sultan werd weggejaagd. Duizenden Arabieren werden afgeslacht en anderen vluchtten naar Oman en andere Golfstaten.
 
De macht was nu in handen van de Afro-Shirazi Party (ASP), waar ook Afrikanen van het vasteland en Arabieren deel uitmaakten. Het nieuwe regime, onder leiding van sjeik Abeid Karume, knoopte nauwe banden aan met communistische landen als de DDR en China, dit tot grote bezorgdheid van de Verenigde Staten.
Top